skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Geitenmelk: minder overgevoeligheid?

Geitenmelk echter is lichter verteerbaar en geeft minder vaak aanleiding tot overgevoeligheidsreacties, maag-darmklachten, eczeem, oor- en slijmvliesontstekingen, loopneus, bronchitis en kortademigheid.

Geitenmelk is een goede bron van hoogwaardige eiwitten, goed afbreekbare middellange vetzuren (MCT’s), vitamines (vitamine A, B-complex, C, D) en mineralen (waaronder ijzer, calcium, fosfor, magnesium, mangaan, kalium en jodium). Geitenmelk(poeder) waarvan de samenstelling is aangepast aan de behoeften van zuigelingen en/of peuters is bovendien een goed alternatief voor koemelkgebaseerde (bij)voeding. Een klinische studie van de afdeling kindergeneeskunde aan de universiteit van Auckland heeft aangetoond dat zuigelingen uitstekend floreren op geitenmelk gebaseerde babyvoeding.

Voordelen van geitenmelk

Dat de meeste melk in Nederlandse winkels van koeien is, wil niet zeggen dat koemelk geschikter is voor menselijk gebruik dan geitenmelk. Wereldwijd wordt van oudsher meer geiten- dan koemelk gedronken. Het feit dat koemelk de Nederlandse markt overheerst heeft voornamelijk economische redenen.

Geitenmelk is lichter verteerbaar en geeft minder vaak aanleiding tot overgevoeligheidsreacties en maag-darmklachten. Bovendien worden essentiële mineralen beter opgenomen uit geitenmelk dan uit koemelk. Een bepaald type eiwit in koemelk (A1 bèta-caseïne) waarvan sterk wordt vermoed dat het diabetes type 1 en coronaire hartziekte bevordert, komt niet in geitenmelk voor.

Geitenmelk lichter verteerbaar dan koemelk

Wat zijn de voordelen van geitenmelk ten opzichte van koemelk? We zetten ze op een rijtje voor u.

  • Vetten
    De vetten in geitenmelk worden sneller en vollediger verteerd en opgenomen in vergelijking tot koemelk. De vetbolletjes in geitenmelk zijn meer dan een kwart kleiner waardoor geitenmelk in tegenstelling tot koemelk niet kunstmatig hoeft te worden gehomogeniseerd. Het spijsverteringsenzym lipase breekt vetten in geitenmelk makkelijker af, niet alleen door de afmeting van de vetbolletjes maar ook door het hoge gehalte korte en middellange vetzuren in geitenmelk.In geitenmelk is het gehalte MCT’s (medium-chain triglycerides) 35% van het totale vetgehalte, in koemelk slechts 17%. De kortere vetzuren in geitenmelk worden sneller afgebroken en opgenomen dan de voornamelijk langketenige vetzuren in koemelk. Geitenmelk bevat geen agglutinine zoals koemelk waardoor vetbolletjes minder samenklonteren in de maag, wat de vertering vergemakkelijkt.
  • Eiwitten
    De eiwitten in geitenmelk worden sneller en vollediger verteerd en opgenomen in vergelijking tot koemelk. Geitenmelk heeft een andere eiwitsamenstelling dan koemelk en benadert meer dan koemelk het eiwitprofiel van moedermelk. Het belangrijkste alfa-caseïne (type S2) in geitenmelk heeft een andere structuur dan het alfa-caseïne dat overheerst in koemelk (type S1). Het alfa-S1-caseïne in koemelk kan overgevoeligheidsreacties oproepen en geeft een sterkere stremming van de melk.Door de lagere concentratie alfa-S1-caseïne in geitenmelk wordt, onder invloed van maagzuur, een luchtiger en brokkeliger wrongel gevormd vergeleken met koemelk. De eiwitbrokjes zijn kleiner en minder samengepakt waardoor verteringsenzymen sneller en beter hun werk kunnen doen. Geitenmelk ligt beduidend minder zwaar op de maag dan koemelk. Geitenmelk is mede daardoor geschikter dan koemelk voor mensen met een zwakke of gevoelige spijsvertering (waaronder kleine kinderen).

Minder vaak overgevoeligheid voor geitenmelk

Koemelkeiwit is één van de belangrijkste voedselbestanddelen die voedselallergie en -intolerantie veroorzaken. Een voedingseiwit lokt sneller een overgevoeligheidsreactie uit wanneer het traag en onvolledig wordt verteerd. Door gisting en rotting van eiwitresten in de darmen raken de slijmvliezen geïrriteerd en beschadigd waardoor eiwitfragmenten in de bloedsomloop terechtkomen en een overgevoeligheidsreactie kunnen uitlokken.

zuivel_Tessa GottschalVooral zuigelingen en peuters reageren negatief op koemelkeiwit. Bij hen kan koemelkallergie of –intolerantie zich uiten in slecht eten, niet goed groeien, diarree, huilerigheid en geïrriteerdheid, slecht slapen, eczeem, oor- en slijmvliesontstekingen, loopneus, overgeven, darmkrampjes, bloedarmoede, bronchitis en kortademigheid.

Bij volwassenen kunnen huid- en luchtwegklachten, maagklachten en migraine op de voorgrond treden. De ervaring van de natuurdiëtisten leert dat geitenmelk vaak beter wordt verdragen en minder overgevoeligheidsreacties oproept dan koemelk. Ongeveer 40% van de mensen die koemelkeiwit niet verdraagt reageert goed op geitenmelk.
Daar er kruisreacties tussen eiwitten die zowel in koe- als in geitenmelk voorkomen kunnen optreden, is voorzichtigheid geboden bij een bestaande overgevoeligheid voor koemelkeiwit. Verschillende eiwitten in koemelk kunnen een overgevoeligheidsreactie oproepen; alfa-S1-caseïne, bèta-lactoglobulines, A1 bètacaseïne en (in mindere mate) bovine serum albumin (BSA) and bovine immunoglobulines. Het gehalte alfa-S1-caseïne in geitenmelk is veel lager dan in koemelk en A1 bèta-caseïne, bovine serum albumine en bovine immunoglobulines ontbreken in geitenmelk. Bèta-lactoglobulines worden beter afgebroken in geitenmelk dan in koemelk.

Vermoedelijk is het lage gehalte van alfa-S1-caseïne in geitenmelk hiervoor mede verantwoordelijk. Het gehalte aan alfa-S1-caseïne in geitenmelk wisselt. Dit is de mogelijke verklaring voor het wisselende succes van geitenmelk bij mensen met (aanleg voor) melkallergie of -intolerantie. Door selectie produceren Europese geiten melk met meer alfa-S1-caseïne dan geiten uit Nieuw-Zeeland omdat de melk hier vooral voor de kaasproductie bestemd is. Geitenmelk uit Nieuw-Zeeland is waarschijnlijk het minst allergeen.

Geitenmelk niet geschikt bij lactose-intolerantie

Vaak wordt overgevoeligheid en allergie voor koemelkeiwit verward met melksuiker(lactose) intolerantie. Als lactose (melksuiker) niet goed wordt afgebroken door een gebrek aan het enzym lactase kunnen gelijksoortige klachten optreden. Lactose wordt dan gefermenteerd in de dikke darm waardoor maag-darmklachten zoals een opgeblazen gevoel, winderigheid, diarree en buikpijn optreden. Ook dan kan de darmwand beschadigen waardoor de kans op koemelkeiwitallergie toeneemt.

Lactose-intolerantie komt bij kleine kinderen weinig voor, bij volwassenen eens te meer, vooral bij mensen van Aziatische, Spaanse en Afrikaanse afkomst. In dat geval is geitenmelk meestal niet geschikt, aangezien geitenmelk vrijwel evenveel lactose bevat als koemelk. Toch wordt in de praktijk gezien dat geitenmelk beter dan koemelk wordt verdragen door mensen met lactose-intolerantie, mogelijk door de betere verteerbaarheid van de melk.

Geitenmelk geeft minder kans op diabetes

Al enige tijd bestaat het vermoeden dat het (vroeg) introduceren van koemelk leidt tot een toegenomen kans op (auto-immuun)diabetes bij kinderen. In verschillende studies is een eiwit in koemelk, het A1 bètacaseïne, als verdachte naar voren gekomen. Vroege blootstelling aan koemelk A1 bètacaseïne verandert mogelijk iets in de cellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier (verantwoordelijk voor de insulineproductie) waardoor ze gevoeliger worden voor factoren of processen die op een later tijdstip leiden tot het afsterven van deze cellen en het ontstaan van diabetes type 1.

Het eiwit A1 bètacaseïne zou niet alleen diabetes type 1 bevorderen, maar ook coronaire hartziekte en mogelijk schizofrenie en autisme. Dergelijke relaties zijn niet gevonden bij de andere vorm van bètacaseïne die in melk voorkomt, het A2 bètacaseïne. Meer onderzoek is nodig om zekerheid te krijgen of A1 bètacaseïne inderdaad schadelijk is; de resultaten zijn grotendeels afkomstig van grootschalig bevolkingsonderzoek in tientallen landen en meerdere factoren spelen bij genoemde ziekten een rol. Geitenmelk bevat uitsluitend A2 bètacaseïne.

Vergeleken met geiten uit Europa produceren Nieuw-Zeelandse geiten melk met de minste (allergene) alfa-1-caseïne. Het alfa-S1-caseïnegehalte in Nieuw-Zeelandse geitenmelk bedraagt 3% van het totale eiwitgehalte, in Europese geitenmelk is dit percentage circa 10% en in koemelk 45%. Daarbij zijn de vetbolletjes in geitenmelk uit Nieuw-Zeeland kleiner dan die in Europese geitenmelk. Geitenmelk uit Nieuw-Zeeland is daarom nog beter verteerbaar.

Commentaar NDN

Huidige onderzoeken laten zien dat er voordelen zitten aan geitenmelk boven koemelk. In de Traditionele Chinese Geneeskunde bestaat er al jaren dit vermoeden. Volgens de Traditionele Chinese Geneeskunde (TCG) ontstaan infecties bij kleine kinderen vaak door een overmaat aan moeilijk verteerbare en verkoelende producten. Hierdoor hebben kou, wind en vocht sneller vat op kinderen, maar ook op volwassenen. Voedingsmiddelen die sterk verkoelend werken of zwaar verteerbaar zijn, zoals bijvoorbeeld: citrusfruit, ijs, rauwkost en koemelkproducten.

Voedingsmiddelen die verwarmend werken zijn bijvoorbeeld: wortel, pompoen, venkel, anijs en kaneel. Zaak dus, nu de winter voor de deur staat, gemakkelijk verteerbaar voeding te gebruiken met voldoende thermisch verwarmende effecten.

Wilt u meer weten over verkoelende en verwarmende voeding (thermische effecten van voeding) zie dan het overzicht hierover in de pdf hieronder.

Literatuur en links:

Literatuur
1. Grant C et al. A randomised, double-blind comparison of goat milk and cow milk formula. Abstract of paper presented at the 11th Asian Congress of Paediatrics, Bangkok, 2-7 November 2003.

2. Attaie R, Richter RL. Size distribution of fat globules in goat milk. J Dairy Sci. 2000;83(5):940-4.

3. Prosser C et al. Digestion of milk proteins from cow or goat milk infant formula. Abstract and poster paper presented at the New Zealand Pediatric Conference, Queenstown, August 2003.

4. Ellis MH, Short J, Heiner DC. Anaphylaxis after ingestion of a recently introduced hydrolyzed whey protein formula. J Pediatr 1991;118:74-77.

5. Lara-Villoslada F, Olivares M, Jimenez J et al. Goat milk is less immunogenic than cow milk in a murine model of atopy. J Pediatr Gastroenterol Nutr. 2004;39(4):354-360.

6. Zeman FJ. 1982. Clinical nutrition and dietetics. Callamore Press, D.C. Health & Co., Lexington, Massachusetts.

7. Barrionuevo M, Lopez Aliaga I, Alferez MJ et al. Beneficial effect of goat milk on bioavailability of copper, zinc and selenium in rats. J Physiol Biochem. 2003;59(2):111-8.

8. Besler M, Eigenmann P, Schwartz RH. Allergen Data Collection: Goat´s Milk (Capra spp.). Internet Symposium on Food Allergens 4(2):119-24 (2002). www.food-allergens.de

9. Bevilacqua C et al. Goats’ milk of defective alpha(s1)-casein genotype decreases intestinal and systemic sensitization to bèta-lactoglobulin in guinea pigs. Journal of Dairy Research 2001;68:217-227.

10. Prosser C et al. New Zealand goat milk reduces gut damage by indomethacin. Poster paper presented at the NZ Bioactive Conference, Hamilton, New Zealand, 2001.

11. Prosser C et al. Reduction in heat induced gastrointestinal hyperpermeability in rats by bovine colostrum and goat milk powders. Journal of Applied Physiology 2004;96:650-654.

12. Uauy R, Quan R, Gil A. Role of nucleotides in intestinal development and repair: implications for infant nutrition. J Nutr. 1994;124(8S):1436S-1441S.

13. Lerner A, Shamir R. Nucleotides in infant nutrition: a must or an option. Isr Med Assoc J. 2000;2(10):772-4.

14. Aliaga L, Alferez MJM, Barrionuevo M et al. Influence of goat and cow milk on the digestive and metabolic utilisation of calcium and iron. J Physiol Biochem 2000;56:201-208.

15. Barrionuevo M, Alferez MJ, Lopez AI et al. Beneficial effect of goat milk on nutritive utilization of iron and copper in malabsorption syndrome. J Dairy Sci 2002;85:657-664.

16. Alferez MJ, Lopez Aliaga I, Barrionuevo M et al. Effect of dietary inclusion of goat milk on the bioavailability of zinc and selenium in rats. J Dairy Res. 2003;70(2):181-7.

17. Park YW, Mahoney AW, Hendricks DG. Bioavailability of iron in goat milk compared with cow milk fed to anemic rats. J Dairy Sci 1986;69:2608-2615.

18. Laugesen M, Elliott R. Ischaemic heart disease, Type 1 diabetes, and cow milk A1 β-casein. N Z Med J 2003;116. http://www.nzma.org.nz/journal/116-1168/295/

19. Elliott RB, Harris DP, Hill JP et al. Type I (insulin-dependent) diabetes mellitus and cow milk: casein variant consumption. Diabetologia 1999;42(8):1032.

20.. McLachlan CN. Beta-casein A1, ischaemic heart disease mortality, and other illnesses. Med Hypotheses 2001;56:262–72.

21. Swinburn B. Beta casein A1 and A2 in milk and human health. Report to New Zealand Food Safety Authority, july 2004. http://www.nzfsa.govt.nz/policy-law/projects/a1-a2-milk/a1-a2-report.pdf.

Downloads:

Tabel Thermische werking van voedingicon

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen