skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Het aantal mensen dat lijdt aan een te trage schildklierwerking (hypothyreoïdie) wordt in Nederland geschat op 500.000. De hormonen die door de normaal werkende schildklier worden geproduceerd, spelen een belangrijke rol in de stofwisseling en in het regelen van het gewicht.

De schildklier produceert voornamelijk thyroxine (T4). Op celniveau moet dit T4 omgezet worden naar tri-joodthyronine (T3). Dit is het meest werkzame hormoon. Deze omzetting noemen we conversie. Op het moment dat deze conversie niet goed plaatsvindt, krijgt de patiënt een zelfde soort beeld als dat van de algemeen te trage schildklierwerking. Het probleem bevindt zich dan echter niet in de schildklier, doch in de celwand.
De factoren die hierin een rol spelen zijn o.a. voedselovergevoeligheid, chronische infecties, stress, enzymen, insuline, Insulin Growth Factor I (IGF-1).

Hoe ontstaat een trage schildklierfunctie?

De schildklierfunctie kan door vele oorzaken ontregeld raken. De meest voorkomende oorzaken zijn:
– Chronische stress of een acute zeer stressvolle gebeurtenis
– Bloedglucose ontregeling
– Erfelijke aanleg
– Zwangerschap
– Operaties
– Gebruik van medicijnen
– Infecties
– Belasting met gifstoffen
– Voedselovergevoeligheid
– Tekort aan voedingsstoffen

Chronische stress

Chronische stress stimuleert de aanmaak van het stresshormoon cortisol. Cortisol vermindert de aanmaak van schildklierhormoon en remt de omzetting van inactief T4 naar actief T3. Het blijkt in de praktijk dat ook een acute, kortdurende, maar hevige stress een vergelijkbaar effect op de schildklierfunctie heeft. U kent hierbij denken aan een ernstig auto-ongeluk, een grote operatie met complicaties, verlies van een dierbare en het doormaken van gewelddadig conflict of misdrijf.

Bloedglucose ontregeling

Veel mensen in Nederland kampen met een ontregeling van hun bloedglucosespiegel. Dit wordt ook wel insulineresistentie, hyperinsulinisme of Metabool Syndroom genoemd. Naar schatting heeft 25% van alle volwassenen in Nederland hier last van en 80% van alle mensen met overgewicht.
Deze bloedglucose verstoring uit zich o.a. in overgewicht met vooral vetophoping op de buik, vermoeidheidsklachten, gewrichtsklachten, hoge bloeddruk, verhoogde insulinespiegels, verhoogde bloedglucose waarden en verhoogde triglyceriden- en verlaagde HDL cholesterolwaarden in het bloed.

Erfelijke aanleg

In bepaalde families komen relatief vaak schildklierproblemen voor. Vraag uw ouders, grootouders, tantes, ooms, broer en zusters of zij bekend zijn met schildklierklachten.

Zwangerschap

Tijdens de zwangerschap wordt er door de verhoogde stofwisseling extra veel gevergd van de schildklier. Dat kan uiteindelijk leiden tot een uitputting van de schildklier tijdens of na de zwangerschap. Daarnaast raakt er tijdens een bevalling veel schildklierhormoon verloren door het grote bloedverlies.

Operaties

Operaties geven soms een groot bloedverlies en dat kan aanleiding geven tot een hypothyreoïdie. Operatiestress vermindert de aanmaak van schildklierhormoon en remt de omzetting van inactief T4 naar actief T3. Door bloedverlies raakt het lichaam ook veel schildklierhormoon kwijt.

Gebruik van medicijnen

Van een aantal medicijnen is bekend dat ze de omzetting van inactief T4 naar actief T3 afremmen. Voorbeelden zijn lithium, antidepressiva, zoals Prozac, corticosteroïden (Prednison). Ook kunnen medicijnen de opname verlagen of het verbruik van schildklierregulerende voedingsstoffen verhogen.
Voorbeelden
Twee voorbeelden hiervan zijn maagzuurremmers en bloeddrukverlagende medicijnen in de vorm van plastabletten. Maagzuurremmers remmen de opname van mineralen nodig voor de aanmaak van schildklierhormoon en de omzetting van T4 naar T3. Plastabletten verhogen de uitscheiding van o.a. magnesium en zink in de urine. Beiden mineralen zijn nodig voor ene goede schildklierfunctie.

Infecties

Bepaalde infecties zoals het Pfeiffervirus, kunnen de schildklier infecteren en beschadigen in zijn functie.

Voedselovergevoeligheid

Voedselovergevoeligheid veroorzaakt door cytokinevorming (stoffen die ontstekingen veroorzaken en het immuunsysteem onder druk zetten) een stress reactie in het lichaam, waardoor de schildklier van slag kan raken.

Tekort aan bepaalde voedingsstoffen

Voedingsnutriënten zoals een tekort aan bepaalde vitaminen (bijvoorbeeld B 12, B6, foliumzuur), mineralen (zoals selenium, magnesium, zink), aminozuren zoals tyrosine en een afwijkend vetzuurprofiel kunnen een onderfunctie van de schildklier geven. Het opsporen van tekorten kan via gespecialiseerde laboratoria.

Hoe werkt de schildklier

De schildklier bestaat uit twee kwabben en ligt voor de luchtpijp. We weten van ten minste twee stoffen dat ze de normale schildklierfunctie ernstig kunnen verstoren en dat zijn fluoride en kwik ( www.bruha.com/fluoride/htm/f). Omdat de lever een belangrijke rol speelt bij het actief maken van het schildklierhormoon is het ook van belang de leverprocessen te ondersteunen. Veel medicijnen kunnen de schildklier ondermijnen (zie de bijsluiter van reguliere medicatie) en de lever belasten (zie in de bijsluiter voor blokkades op met name P450 enzymsystemen). Afwijkingen en/of beschadigingen aan de zogenaamde HPA-as (vooral bijnierdeficiënties, maar ook hypothalamus en hypofyse ontregelingen) geven een verstoorde schildklierfunctie.

Onder invloed van het hypofysehormoon TSH wordt thyroxine vrijgemaakt en aan de bloedbaan afgegeven. Thyroxine is het enige hormoon dat jodium bevat. Het schildklierhormoon is onontbeerlijk voor het functioneren van elke lichaamscel (zie symptomenlijst bij hypothyreoïdie hieronder ). De synthese van schildklierhormonen begint met de opname van jodium door de schildklier (200 mcg jodium per dag uit voeding). Eenderde wordt door de schildklier gebruikt en het overige wordt uitgescheiden. Het vermijden van rauwe kool, rapen, koolrabi, pinda en mosterd is raadzaam omdat deze voedingsmiddelen de jodium opname remmen.

De opname van jodium in de schildklier wordt o.a. geremd door: CIO4- (perchloraat), SCN- (thiocyanaat), NO2-nitraat en gechloreerde polyfenolen, Br-, OCN-, TcO4- en de synthese fase wordt geremd door reducerende stoffen waaronder: thiairacil en thiocyanaat.

Onder invloed van TSH worden de schildklierhormonen T3 (triiodothyronine) en T4 (thyroxine) afgegeven aan het bloed. in de lever, het hart en de nieren door seleniumafhankelijke enzymen (iodotheroninedeiodinases), en wordt het T4 omgezet in het T3 (het actieve schildklierhormoon). In humane enzymen komt selenium alleen voor in de vorm van selenocysteine.

Diverse toxische stoffen zoals diverse peroxiden (zoals lipide- en phospholipide-hydroperoxiden) die gevormd kunnen worden door vrije radicalen en hoog reactieve zuurstofdeeltjes worden ook door seleniumcysteine-bevattende glutathionperoxidase-enzymen verwijderd.

De lever kan dus wel wat seleniumcysteine gebruiken, mede omdat het door de huidige landbouwmethode weinig in de voeding voorkomt. Doordat de lever veel biochemische processen moet doen (waaronder ontgiftingstaken) wordt er veel selenium weggevangen en kan daardoor door enzymschade de omzetting van T4 naar T3 op de tocht komen te staan. Een hoge jodiuminname terwijl het selenium marginaal is, kan schadelijk zijn voor de schildklier. Inname van alleen kelp (jodiumbron) is niet aan te raden!

Rubidium wordt in diverse studies ook genoemd als stimulator van de schildklierfunctie. Het mechanisme is onduidelijk. Een voeding die weinig rubidium bevat, verlaagt de zinkspiegel van plasma en testikelweefsel. Tevens veroorzaakt een laag rubidiumgehalte in de voeding een verlaagd kopergehalte in hart, lever en milt en een verhoogd kaliumgehalte in plasma en nieren.

Zink is een essentiële co-factor bij veel verschillende enzymsystemen. Het is tevens betrokken bij de vorming van schildklierhormonen. Bij ratten die zink deficiënt waren worden verlaagde T3 en vrije T4 concentraties gevonden tot wel 30%. De activiteit van de enzymen die vrij T4 omzetten in het actieve T3 verlaagde zich met 66%.

L-Tyrosine is een aminozuur dat een belangrijk onderdeel vormt van T3 en T4. (ieder bevat 2 tyrosinemoleculen). Tyrosine-opname kan bij het ouder worden verminderen, maar ook door eiwit-verteringsstoornissen en dysbiose (zwakke darmflora en overgroei van eiwit etende bacteriën zoals Proteus, enterobacter e.d.). Vitamine C is betrokken bij het metabolisme van Tyrosine.

Glutathion is een krachtige antioxidant (de beste vorm voor suppletie is NAC= N-acetyl cysteine). Deze antioxidant beschermt de diverse enzymsystemen, waaronder de iodothyoninedeiodinase, waardoor er meer T3 gevormd kan worden.

B vitamines, met name B1, B2, B3 en B 6 zijn belangrijk voor de schildklieractiviteit. Psychiatrische patiënten met een vitamine B 2 deficiëntie hebben aanzienlijk lagere thyroxine -spiegels. Vitamine B3 is betrokken bij de synthese van belangrijke hormonen zoals thyroxine, insuline en cortisonen. B 6 is ook noodzakelijk voor een normale endocriene (hormonale) functie en speelt een belangrijke rol bij allerlei enzymfuncties in de lever. De vitaminen B’s werken allemaal samen en het is dan ook raadzaam deze gecombineerd te geven. Bij een onderfunctie van de lever is het raadzaam deze in de actieve co-vorm te geven (B 6 bijvoorbeeld in de P-5-P vorm).

Fosfatidylserine is ook een interessante stof om de TSH te verhogen. In een studie waarin proefpersonen 200-300 mg fosfaditylserine innamen zag men een verbetering van het geheugen (deze stof kan makkelijk de bloed-hersenbarrière passeren), van de concentratie en een verbeterde TSH afgifte. Deze stof is in zeer lage concentraties aanwezig in lecithine.

Vitamine A (niet bètacaroteen) is ook essentieel voor de omzetting van T4 naar T3, net als magnesium. Een onderactieve schildklier kan pro-vitamine A (caroteen) niet of niet voldoende omzetten naar vitamine A. Wie geen of nauwelijks schildklierfunctie heeft kan geen vitamine B 12 absorberen. Als er dan ook nog sprake is van maagproblemen en een dysbiose (waaronder verlaagde enterococcen aantallen) dan komt de B 12 voorraad onder druk te staan.

T 3 is essentieel voor normale niveaus van serotonine en noradrenaline. Tekort aan T3 kan tekorten geven aan laatst genoemde stoffen. Mensen met een lage schildklierfunctie, hypofyse en bijnieractiviteit hebben in het bloed vaak een laag carnitine-gehalte.

Diagnose

Hoewel de schildklierhormonen in het bloed gemeten kunnen worden (TSH, T4, T3, antistoffen tegen de schildklier), gaan er steeds meer stemmen op dat deze metingen onbetrouwbaar zijn.

Een veel betere methode zou zijn de verzameling van 24-uurs urine, waarin zowel de vrije T4 (FT4) als de vrije T3 (FT3) worden bepaald. Indien deze factoren beiden te laag zijn, zou er sprake kunnen zijn van een hypothyreoïdie.
Is de FT4 relatief hoog en de FT3 laag, dan moeten we concluderen dat er sprake is van een conversieprobleem (omzettingsprobleem in de lever van T4 naar de actieve T 3 vorm).
De primaire diagnostiek echter vindt plaats in de anamnese. Er zijn zelfs endocrinologen die zover gaan dat men louter op het verhaal van de patiënt afgaat.

De hoofdsymptomen zijn:

  • Chronische vermoeidheid, speciaal in de ochtend, wat minder tegen de avond. Ook is er sprake van langzame recuperatie na inspanning.
  • Depressie. Deze kan zelfs leiden tot suïcideneiging en vaak is er sprake van postnatale depressie.
  • Kouwelijkheid. Dit kan ook leiden tot blauwe vingers, dode vingers en winterhanden en -tenen.
  • Hoofdpijn. Zowel migraine als spanningshoofdpijn komen voor.
  • Spierkrampen. Deze kunnen in spiergroepen in het hele lijf voorkomen.
  • Obstipatie, slechte darmmobiliteit. Meestal eens per 2 dagen ontlasting
  • Artritis, reumatische pijn in zowel de gewrichten, pezen en spieren en stijfheid komen voor. De achillespeesreflex is vaak vertraagd.

De problematiek is zeer vaak familiair. Daarnaast komen ook vaak galstenen, diabetes mellitus, hypercholesterolemie en allergieën voor. De patiënten zijn vaak traag en neigen sterk tot overgewicht. Ook indien een vrouwelijke patiënt baby’s heeft gebaard die meer dan 4,5 kg wegen, kan dat duiden op de schildklierwerking. De basale temperatuur is vaak laag.
Terwijl alles wat traag lijkt, is de cyclus vaak versneld. De valkuil in de totale symptomatiek is dat óók patiënten met een ondergewicht een trage schildklierwerking kunnen hebben. Bij verdenking is het goed de laboratoriumanalyse toe te passen en eventueel te starten met een proefbehandeling met schildklierpoeder, onder leiding van een arts.

Loopt u risico?

Om te zien of u risico loopt op een te trage schildklierfunctie kunt u ook gebruik maken van een symptomenlijst. Download hier de lijst van icon schildkliersymptomen

Temperatuurtest

De basale lichaamstemperatuurtest is de meest gevoelige en functionele test om de schildklierfunctie te meten. Deze test -in de jaren ’30 door dr. Barnes ontwikkeld- raakte op de achtergrond met de komst van de bloedtesten. Duidelijk wordt dat deze bloedtesten verre van optimaal zijn en vooral de mildere vorm van hypothyreoïdie over het hoofd zien.
De genoemde temperatuurtest is echter een zeer makkelijk toegankelijke test die door iedereen, in de eigen vertrouwde omgeving, kan worden uitgevoerd. Schattingen van dr. Barnes geven aan dat in Amerika 40% van de volwassenen te maken heeft met een verlaagde schildklierfunctie.

  • De temperatuur dient in de morgen, vóór het opstaan en meteen bij het wakker worden, liggend te worden opgemeten onder de arm.
  • Neem de temperatuur drie ochtenden achtereen op.
  • Vrouwen die menstrueren doen de metingen op de 2e, 3e en 4e dag na de start van de menstruatie.

Let op: niet temperaturen bij griep of wanneer men in de vroege morgen uit bed is geweest (bijv. om naar de toilet te gaan). Vergeet niet de thermometer ‘s avonds bij het bed klaar te leggen.

Interpretatie meetwaarden:

3 x meting boven 36,4 graden geen hypothyreoïdie
3 x meting beneden 36,4 graden hypothyreoïdie
2 x lage meting * mogelijk hypothyreoïdie

* Tussen 35,8 graden – 36,1 graden en 1 normale meting boven 36,4 graden.

De lichaamstemperatuurmeting kan na 8 weken worden herhaald.

Nog een paar attentiepunten

Door het verstoorde levermetabolisme bij porfyrie-patiënten wordt bètacaroteen zeer slecht in vitamine A omgezet. Bij stoornissen in de porfyrinenstofwisseling kunnen zowel verhoogde als laagnormale serumijzer- en tranferrineverzadigingswaarden worden waargenomen. Ook stapeling van ijzer in de lever kan optreden.

Vitamine A speelt een belangrijke rol bij de schildklierfunctie. Omdat de phenolstructuren van diverse bioflavonoïden en stoffen zoals PABA een competitie kunnen aangaan met het schildklierhormoon metabolisme, zijn voedingssupplementen met een hoge dosis van deze stoffen niet aan te bevelen. Sommige bioflavonoïden kunnen namelijk de opname van jodide door de schildklier, maar ook de inbouw daarvan in het thyroglobuline en de synthese van het schildklierhormoon nadelig beïnvloeden.

Bioflavonoïden kunnen ook het T4- en T3-hormoon van de transporteiwitten (voornamelijk transthyretine) verdringen, waardoor schildklierhormoon versneld via de urine kan worden uitgescheiden en verloren gaat. Van sommige bioflavonoïden is bovendien een TSH-suppresief effect aangetoond (remming van de afgifte en van de werking van TSH). Ook de omzetting van T4 in T3 door de jodase-enzymen in de weefsels kan door sommige bioflavonoïden geremd worden, waardoor er minder van het biologisch actieve T3 beschikbaar komt voor het lichaam. Omdat de actieve vorm van vitamine D3 als hormoon de werking van T3 in de celkern kan versterken (vorming van heterodimeren op de nucleaire receptoren), is vitamine D ook belangrijk.

Literatuur en links:

Circadian: Eigenwijs over gezondheid. Duidelijke informatie over de echte oorzaak achter ziekte en gezondheid. Met oplossingen uit de natuurgeneeskunde. zie www.circadian

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen