skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Voeding bij ontsteking van de neusslijmvliezen

Veel mensen hebben last van allergische rhinitis. Sommigen hebben dit het gehele jaar door, bijvoorbeeld als gevolg van een huisstofmijtallergie, bij anderen is de aandoening seizoensgebonden, zoals bij pollinosis ofwel hooikoorts. Volgens cijfers van het RIVM uit 1996 heeft bijna 30% van de Nederlandse bevolking chronische neusklachten. In 2008 schatte het RIVM op basis van het aantal gebruikers van antihistaminica dat tenminste 1,2 miljoen Nederlanders kampen met allergische klachten. Reden genoeg om de nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen rondom allergische rhinitis te bespreken.

Allergische rhinitis

Bij allergische rhinitis is er sprake van een (chronische) ontsteking van de neusslijmvliezen als gevolg van een overmatige aanmaak van immunoglobuline E. Dit antilichaam wordt geproduceerd in reactie op contact met allergenen (Greiner, 2006), en hecht aan mestcellen die vervolgens histamine vrijmaken. De meest voorkomende symptomen zijn niezen, een loopneus, een verstopte neus en jeuk aan neus, keel en oren.  Epidemiologisch onderzoek heeft een aantal risicofactoren voor het ontwikkelen van allergische rhinitis aan het licht gebracht.

Een hoger risico hebben mensen die als baby gevoed werden met flesvoeding, die geboren werden tijdens de piek van het hooikoorts seizoen of een familiegeschiedenis van allergieën kennen. Wanneer een van de ouders allergisch is, is de kans dat het kind ook allergisch is 30 procent. Wanneer beide ouders echter een allergie hebben, is de kans dat hun kind eveneens allergisch is opgelopen tot 70 procent. Naast risicofactoren zijn er ook factoren die beschermend werken. Zo blijkt het opgroeien in een groot gezin gunstig, evenals het bezoeken van de kinderopvang.

Hier komen kinderen in contact met allerhande ziekteverwekkers, waardoor hun immuunsysteem kan oefenen in het verdedigen van het lichaam. Beide vergroten de kans op het doormaken van onschuldige infecties, wat goede training voor het immuunsysteem is en de kans op allergische rhinitis verlaagd. Er zit hier echter een adder onder het gras: wanneer een kind antibiotica krijgt bij zo’n infectie blijkt het risico op allergische rhinitis niet verlaagd (Ceuppens, 2000).

Behandeling van allergische rhinitis

De standaardbehandeling van allergische rhinitis bestaat hoofdzakelijk uit medicamenteuze interventie met antihistaminica. De nieuwste generatie producten (zoals desloratadine) veroorzaken vrijwel geen slaperigheid meer. Ook worden neussprays met corticosteroiden veel gebruikt. Ondanks deze behandelmogelijkheden blijkt uit onderzoek in de Verenigde Staten (Zuckerman, 2002) dat bijna de helft van de patiënten een complementaire of alternatieve behandeling zoekt voor hun neusklachten. Niet alle medicatie is geschikt voor gebruik op langere termijn, terwijl de klachten wel jaren kunnen aanhouden.

Vooral voedingssupplementen en kruiden worden veel toegepast in de complementaire benadering. Bekende voorbeelden zijn pycnogenol, groot hoefblad (in het Engels Butterbur, in het Latijn Petasites hybridus), MSM (methylsulfonylmethaan) en quercetine. Alleen van een gestandaardiseerd preparaat met groot hoefblad (het meest gebruikt in onderzoek is Petadolex) is in enkele studies aangetoond dat de effectiviteit bij hooikoorts te vergelijken is met die van veelgebruikt farmaceuticum cetirizine. Van andere supplementen is momenteel weinig tot geen bewijs van werkzaamheid.

Groot hoefblad kent een belangrijk nadeel: lange termijnstudies over veiligheid van het product zijn niet beschikbaar. De bovengrondse delen van de plant zijn giftig, waardoor ook het zomaar eten of drinken van ‘thee’ van de plant gevaarlijk kan zijn. De plant bevat pyrrolizidine alkaloiden (UPAs) die toxisch voor lever en nieren zijn en celmutaties kunnen veroorzaken. De producten die in klinische studies werden gebruikt zijn vanzelfsprekend UPA-vrij. Dit betekent niet automatisch dat alle kruidenpreparaten die in Nederland in de handel zijn hier allemaal voldoende op zijn gecontroleerd. Zolang een product niet duidelijk garandeert dat het UPA-vrij is, is het uiteraard verstandig het links te laten liggen.

Zwarte bessen

Het onderzoek naar natuurlijke stoffen in de behandeling staat echter niet stil. Plant and Food Research, een staatsbedrijf uit Nieuw Zeeland, publiceerde recent een in vitro-onderzoek (Hurst, 2010) naar het gebruik van zwarte bessen (Ribes nigrum) bij allergie-geïnduceerde astma symptomen. Onderzoeker Roger Hurst:“We kwamen tot de ontdekking dat epigallocatechine (ECG), een stof uit zwarte bessen, samen met lichaamseigen immuunstoffen synergistisch samenwerkt in het verminderen van de ontstekingsverschijnselen. Dit staat los van de activiteit van anthocyaninen, die ook veel voorkomen in zwarte bessen.” Hurst vermoedt dat we in de toekomst natuurlijke producten kunnen ontwikkelen die conventionele medicijnen kunnen ondersteunen in de behandeling van astma en wellicht ook andere allergische reacties. ECG komt ook in andere voedingsmiddelen voor, zoals in groene thee, dus misschien is het als eerste stap wel zinvol om je allergiepil met thee weg te spoelen.

Mediterraan dieet

Dat je tijdens het hooikoorts seizoen geboren bent of als baby geen borstvoeding hebt gekregen, zijn factoren waar je zelf niets aan kan veranderen. Gelukkig zijn er factoren in het leven waar je wel zelf invloed op uit kan oefenen, je dieet is daar een belangrijk voorbeeld van. Een zogenaamd mediterraan dieet lijkt namelijk, in ieder geval bij kinderen, bescherming te bieden tegen symptomen van allergische rhinitis. Het mediterrane dieet bestaat uit ruime porties groenten en fruit, vis, olijfolie, noten, zaden en peulvruchten. Griekse onderzoekers (Chatzi et al, 2007) bestudeerden het dieet van 690 kinderen die op het Kretenzische platteland wonen.

De ouders van de kinderen vulden uitgebreide enquêtes in over de eetgewoonten van hun kroost, de allergische symptomen en eventuele problemen met de ademhaling. Ook ondergingen de kinderen een huidpriktest met tien veelvoorkomende aero-allergenen. Er werden door de onderzoekers 12 voedingscategorieën onderscheiden in de studie, zoals het eten van groenten, fruit, volkoren granen, olijfolie, noten en zaden. Zo werd ook gescoord of de kinderen er een zogenaamd Mediterraan dieet op na hielden. De relatie tussen dit dieet en allergische rhinitis was het sterkst.

Margarine werkt ongunstig

Kinderen die minimaal drie keer per week noten aten bleken eveneens een significant kleinere kans op allergische rhinitis, symptomen van astma en huiduitslag te hebben. Ook het dagelijks eten van appels, sinaasappels en tomaten bleek te beschermen tegen allergische rhinitis. Voor druiven als enkelvoudig fruit was dit effect helemaal sterk. De onderzoekers vermoeden dat dit te maken heeft met de sterk anti-oxidatieve werking van resveratrol. Hiervan is beschreven dat dit polyfenol een krachtig ontstekingremmende werking heeft. Het regelmatig eten van margarine betoonde zich in deze studie juist ongunstig: het verdubbelde de kans op allergische rhinitis bij de kinderen op Kreta. Dat lijkt vrij simpel op te lossen, met een goede olijfolie heeft niemand margarine nodig.

De juiste vetzuren

Dat een gewijzigde vetzuurinname in ons voedingspatroon van invloed kan zijn op het immuunsysteem is inmiddels in diverse studies aangetoond. Antropologisch onderzoek liet zien dat het dieet van onze jager-verzamelaarvoorvaderen gedurende duizenden jaren een ratio tussen omega-6 en omega-3 vetzuren kende die ongeveer twee op een was. Deze verhouding is door ons gewijzigde voedingspatroon opgelopen tot circa tien op een. We jagen tegenwoordig vooral op big macs en verzamelen doen we in AH of Aldi.

Een van de theorieën is dat deze gewijzigde vetzuurstatus, immuunresponsen moduleert en het lichaam als het ware in een staat van chronische ontsteking brengt. Dit zou hart- en vaatziekten, diabetes maar ook allergieën en astma in de hand kunnen werken. Over de precieze moleculaire achtergrond en werkingsmechanismen van de vetzuurverschuiving is minder bekend. Kelly Weaver en Floyd Chilton (Weaver, 2009) uit de Verenigde Staten ontwikkelden een interessant experiment dat hier licht op moest werpen.

Zij gaven een groep vrijwilligers gedurende 5 weken een gecontroleerd dieet waar iedereen evenveel vet, eiwit, koolhydraten en dergelijke mee binnen kreeg. Na een week voegden ze daar capsules met visolie (775 mg EPA per dag) en borageolie (831 mg per dag) aan toe. Voor en na de supplementatie en na een wash-out periode van 2 weken na het einde van de studie werden er bij elke deelnemer buisjes bloed afgenomen, waaruit mononucleaire cellen en neutrofielen gehaald werden. Deze monsters werden gebruikt voor een RNA bepaling. Ook werd de vetzuurstatus van de cellen onderzocht.

Uit het onderzoek blijkt dat de supplementatie de genetische expressie van verschillende immuunmediatoren wijzigt.  P13K, een vroege stap in de immunologische ontstekingsremmende cascade wordt significant minder tot expressie gebracht wanneer de omega-3 inname hoger is. Daarnaast werden proinflammatoire cytokines geremd in hun expressie. Volgens de auteurs is hiermee voor het eerst is in menselijke cellen aangetoond dat een gewijzigd vetzuurinname ervoor zorgt dat de gen-expressie van ontstekingsremmende stoffen verandert:  “De positieve effecten van omega-3 vetzuren bij diverse aandoeningen lijken een belangrijk gevolg te zijn van de effecten op de gen expressie van immuunmodulatoren.” Deze onderzoekers zijn niet de enigen met aandacht voor de genetische achtergronden van hun theorieën.

Genetisch onderzoek

Sinds de ontrafeling van het humane genoom in 2003 zijn er wereldwijd enorme onderzoeksconsortia gecreëerd waarin tienduizenden wetenschappers speuren naar de genetische basis van allerlei ziekten, aandoeningen en menselijke eigenschappen. Hoewel de kennis van de genetische invloed op pathologie in de afgelopen jaren gigantisch is toegenomen, blijft het onderzoek monnikenwerk.

Het is vaak zoeken naar een speld in een hooiberg. Veelal blijken er zoveel genen bij een aandoening betrokken te zijn dat een praktische toepassing van de kennis veelal nog toekomstmuziek is. Zelden zijn er enkelvoudige genetische mutaties verantwoordelijk voor een bepaald genotype. De ziekte van Huntington, waarbij dit wel het geval is, is waarschijnlijk het bekendste voorbeeld van een ziekte die door een enkel kapot gen wordt veroorzaakt.

Genetisch onderzoek bij allergieën richt zich veelal op die gebieden van het DNA die coderen voor immunoglobulinen. Bij onze oosterburen heeft dit onderzoek recent tot een doorbraak geleidt. Stephan Weidinger (2008) en Thomas Illig van de Technische Universiteit München ontdekten het FCER1A gen tijdens een zogenaamde GWA (genome-wide association) studie. In een typische GWA studie wordt via een zogenaamde DNA scan het genetisch materiaal van een groep deelnemers met een bepaalde aandoening (bijvoorbeeld allergische rhinitis) vergeleken met een groep mensen die de aandoening niet heeft.

IgE antilichamen

Wanneer een afwijking in een bepaalde regio van het DNA bij de mensen met de aandoening vaker voorkomt dan in de controle groep, dan gaat men ervan uit dat de aandoening geassocieerd is met dit deel van het DNA. Vaak blijken er diverse regio’s betrokken te zijn bij een aandoening of eigenschap, hetgeen het moeilijk maakt gerichte medicatie te ontwikkelen. In dit geval is dat niet zo. Uit de studie van Weidinger en Illig bij meer dan 11000 Duitsers uit verschillende onafhankelijke cohorten blijkt dat een bepaalde variatie in het FCER1A gen zeer sterk geassocieerd is met de productie van immunoglobuline E.

IgE antilichamen worden normaliter door het lichaam ingezet in de bescherming tegen parasieten, maar in veel Westerse landen blijkt een verhoogd IgE niveau voor te komen bij allergische individuen, zoals bij hooikoorts. De aangetoonde afwijking op chromosoom 1q23 biedt perspectieven voor bijvoorbeeld doelgerichte farmacologische toepassingen of beïnvloeding met allerhande stoffen uit voeding of planten. Een gerichte interventie komt door deze kennis dichterbij, nu duidelijker is waar we het zoeken moeten.

Samenvatting

Op verschillende vlakken wordt er gewerkt aan effectieve interventies bij allergische rhinitis. Meer kennis over de genetische achtergrond van allergische rhinitis, het moleculaire functioneren van allerlei biologisch actieve stoffen uit voeding en planten en de aansturing van het immuunsysteem vanuit het DNA leveren allemaal puzzelstukjes op.

Los van elkaar en vooralsnog lijken die misschien weinig samenhang te vertonen, maar bij iedere nieuwe ontdekking kunnen ze een coherenter beeld van de allergische werkelijkheid vormen waar de patiënt zijn voordeel mee zal kunnen doen. Vooralsnog is het wellicht nuttig een aantal overbekende leefregels in acht te nemen. Voldoende slaap en weinig stress geven het immuunsysteem de kans zo optimaal mogelijk te functioneren. Ook een gevarieerd dieet kan van nut zijn. Hierdoor krijg je een grote verscheidenheid aan voedingsstoffen binnen, en tegelijkertijd verminder je de kans dat het immuunsysteem allergisch gaat reageren op een voedingsmiddel dat je bijvoorbeeld uit gemakzucht continue eet.
Christiane Vink (biologisch psychologe)

Literatuur en links:

Bron: Het tijdschrift voor de integratie van geneeswijzen; Supplement no 6, 11e jaargang juni 2010.

1. Bråbäck, L., Hjern. A., Rasmussen, F., (2005), Social class in asthma and allergic rhinitis: a national cohort study over three decades, Eur Respir J 2005; 26:1064-1068
2. Ceuppens, J., 2000, Western lifestyle, local defenses and the rising incidence of allergic rhinitis. Acta Otorhinolaryngol Belg 54, pp. 391–395
3. Chatzi L, Apostolaki G, Bibakis I, et al, 2007, Protective effect of fruits, vegetables and the Mediterranean diet on asthma and allergies among children in Crete. Thorax 2007;62:677–83.
4. Droste JH, Kerhof M, De Monchy JG, Schouten JP, Rijcken B. Association of skin test reactivity, specific IgE, total IgE, and eosinophils with nasal symptoms in an community-based population study. The Dutch ECRHS Group. J Allergy Clin Immunol, 1996; 97: 922-932.
5. Suzanne M. Hurst, Tony K. McGhie, Janine M. Cooney, Dwayne J. Jensen, Elaine M. Gould, Kirsty A. Lyall, Roger D. Hurst, 2010, Blackcurrant proanthocyanidins augment IFN-gamma-induced suppression of IL-4 stimulated CCL26 secretion in alveolar epithelial cells. Molecular Nutrition & Food Research
6. Greiner AN, Meltzer EO. Pharmacologic rationale for treating allergic and nonallergic rhinitis, 2006, J Allergy Clin Immunol, 118:985-96.
7. Lee DK, Carstairs IJ, Haggart K, et al. Butterbur, a herbal remedy, attenuates adenosine monophosphate induced nasal responsiveness in seasonal allergic rhinitis. Clin Exp Allergy 2003;33:882-6.
8. Mortaz et al., 2009, Cigarette smoke suppresses in vitro allergic activation of mouse mast cells. Clinical & Experimental Allergy, 39 (5): 679
9. Rosenwasser LJ, 2002, Treatment of allergic rhinitis. Am J Med, 113:17S-24S.
Thomet OA, Schapowal A, Heinisch IV, et al. Anti-inflammatory activity of an extract of Petasites hybridus in allergic rhinitis. Int Immunopharmacol 2002;2:997-1006.
10. University of Edinburgh (2005, November 8). Asthmatic Cats May Be Allergic To Humans, Say Vets. ScienceDaily. Retrieved April 18, 2010, from http://www.sciencedaily.com /releases/2005/11/051108085218.htm
11. Weidinger et al., 2008, Genome-Wide Scan on Total Serum IgE Levels Identifies FCER1A as Novel Susceptibility Locus. PLoS Genetics, 4 (8): e1000166
12. Weaver et al. Effect of dietary fatty acids on inflammatory gene expression in healthy humans. Journal of Biological Chemistry, 2009, 284, 15400-15407.
13. Zuckerman GB, Bielory L. Complementary and alternative medicine herbal therapies for atopic disorders. Am J Med 2002;113:47S-51S.

ImuPro voedingsallergenen testen, bouwstenen naar een betere gezondheid

ImuPro is een uniek concept om een IgG totaal voedselintolerantie (IgG-1 t/m IgG-3) in kaart te brengen. Wanneer u een aandoening heeft die niet weg gaat, kan dat de oorzaak zijn van een vertraagde voedselintolerantie. Zo’n vertraagde voedselallergie blijft vaak onopgemerkt, omdat er vaak pas na enkele uren of zelfs dagen symptomen optreden.
De ImuProtesten kunnen u helpen voedingsallergenen in kaart te brengen.

Symptomen van een voedselintolerantie/voedselallergie IgG-type III:
Darmklachten
Constipatie
Diarree
PDS
Hoofdpijn/ Migraine
Overgewicht
Vermoeidheid
Huidziekten, waaronder eczeem of psoriasis
Spier- en gewrichtsklachten
(Chronisch) ontstekingen

Bovenstaande klachten zijn symptomen die ‘getriggerd’ kunnen worden door een voedselintolerantie. Maar de ImuPro kan bijvoorbeeld ook worden ingezet om uw energie te vergroten of om sportprestaties te verbeteren.

Hoe werkt de Imuprotest?

Voor de ImuPro Screen(22), Screen+(44) en Basic(90) en de Vegetarisch(90) test, ontvangt u een vingerprik.
Voor de meest complete test, ImuPro Complete(270), ontvangt u een prikset voor een bloedafname bij de prikpoli. Na ontvangst krijgt u ongeveer na 2 weken de resultaten toegestuurd.

Wat ontvangt u?
De rapportage van de test verschilt per panel.
ImuPro Screen (22 voedingsmiddelen): verkort rapport
ImuPro Screen+ (44 voedingsmiddelen): verkort rapport
ImuPro Basic (90 voedingsmiddelen): Uitgebreid rapport met aanbevelingen
ImuPro Vegetarisch (90 voedingsmiddelen): Uitgebreid rapport met aanbevelingen
ImuPro Complete (270 voedingsmiddelen): Uitgebreid rapport met aanbevelingen + recepten

De ImuPro wordt uitgevoerd door laboratorium Pro Health Medical te Nederweert. U bestelt de prikset van de test en ontvangt de materialen thuis.
Wij raden aan om de testresultaten samen met een Natuurdiëtist te bespreken, zodat er een goed evenwichtig dieet voor u kan worden opgesteld.

Bekijk hier de folder van de ImuProtesten en de geteste voedingsmiddelen.

Wat maakt ImuProtesten (test ontwikkeld door R-Biopharm AG ) zo uniek:

  • Betrouwbaar onderzoek
  • Snel en eenvoudig bloed intraveneus opvangen bij een prikdienst
  • De ImuPro wordt veel gebruikt bij Natuurdiëtisten

T.o.v. andere voedselintolerantie testen op de markt maakt de ImuPro gebruik van een betrouwbare ELISA-methode en ontvangt u een uitgebreid rapport, met voedingsaanbevelingen en tevens een receptenboek (enkel bij de ImuPro Complete). Daarnaast wordt het onderzoek in meer dan 40 landen gebruikt.

ImuPro Screen, test op 22 IgG-voedingsallergenen

Voedselovergevoeligheid vingerpriktest op 22 voedingsmiddelen
Prijs Imupro Screen; € 77,51
Bestel hier de Imupro Screen

 

ImuPro Screen+ (Plus), test op 44 IgG-voedingsallergenen

Voedselovergevoeligheid vingerpriktest op 44 voedingsmiddelen
Prijs Imupro Screen; € 138,73
Bestel hier de Imupro Screen+ Plus test.

 

ImuPro Vegetarisch, test op 90 IgG voedingsallergenen

Voedselovergevoeligheid vingerpriktest op 90 voedingsmiddelen
Voedselovergevoeligheid op 90 IgG-voedingsmiddelen, zoals de meest voorkomende fruit, groente, zuivel, granen en kippenei. Daarnaast worden ook diverse superfoods onderzocht.
Prijs Imupro Vegetarisch: € 227,06
Bestel hier de Imupro Vegetarisch

 

ImuPro Basic, test op 90 IgG voedingsallergenen

Voedselovergevoeligheid vingerpriktest op 90 IgG- voedingsmiddelen; de meest voorkomende fruit, groente, zuivel, granen, vleessoorten en kippenei.
Prijs Imupro Basic; € 227,06
Bestel hier de Imupro Basic

 

ImuPro Complete, test op 270 IgG voedingsallergenen

Voedselovergevoeligheid intraveneuze bloedafname test op 270 IgG-voedingsmiddelen.
Prijs Imupro Complete: € 551,93
Bestel hier de Imupro Compleet

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen