skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Vissenleed bij Sea the Truth

De jacht op vis is een uit de hand gelopen economisch monstrum: met grote sleepnetten worden de bodems van de zeeën leeg geschraapt, alles wat leeft met een vernietigende kracht met zich meenemend. De massale bijvangst gaat verminkt of dood terug de zee in.

In de film gaan twee jonge Marienbiologen, Marianne  van Mierlo en Barbara van Genne, op verzoek van Marianne Thieme van de Partij van de Dieren, wereldwijd op zoek naar wetenschappelijke informatie over de conditie van onze grootste ecosystemen die meer dan tweederde van onze planeet bedekken. Onderwaterfotograaf Dos Winkel toont ze de schoonheid van het onderwaterleven en de enorme bedreigingen waaraan dat bloot staat.

De oplossing wordt door overheden gezocht in duurzame visserijprojecten. Maar steeds meer wetenschappers zeggen dat iedere vis die nu uit de oceaan wordt gehaald, er één te veel is. Met deze documentaire wordt aangetoond dat er helaas geen ‘verantwoorde’ vis meer bestaat op dit moment.

Plastic Soep

Tussen Hawaï en San Francisco drijft een enorme hoeveelheid afval; een plastic soep met een oppervlakte van 8.6 miljoen vierkante kilometer. Ter vergelijking: dit is 33 keer de oppervlakte van Nederland (41.528 km2). Deze plastic soep is ‘ontdekt’ door Charles Moore, toen hij met zijn boot door dit gebied voer en zichzelf dag in dag uit omringd vond met plastic afval. Hij keerde later terug met wetenschappelijke apparatuur om de totale omvang van de soep bepalen. De plastic soep vormt een grote bedreiging voor tal van zee(zoog)dieren.

De soep bevat 44 miljoen kilo plastic. Dit plastic bestaat uit grote, maar ook hele kleine stukjes (minder dan 0.3 millimeter). Omdat het uit verschillende groottes bestaat, vormt het een gevaar voor een groot deel van de dieren die in zee leven. De grote stukken plastic vormen een bedreiging omdat grotere (zoog)dieren erin vast komen te zitten en hierdoor verdrinken of stikken. De kleine stukjes (plastic valt na verloop van tijd in steeds kleinere deeltjes uiteen) worden door veel dieren als voedsel aangezien en belanden in hun magen.

Plastic granulaat bestaat uit kleine bolletjes zo groot als zandkorrels. De levensduur van deze bolletjes is ongeveer 3 tot 10 jaar, maar de additieven in het granulaat kunnen wel 30-50 jaar mee gaan. Deze bolletjes nemen ook gemakkelijk gifstoffen op die, door menselijk toedoen, in het water voorkomen. Vissen eten deze bolletjes en krijgen zo de gifstoffen binnen. Deze gifstoffen worden opgeslagen in het vetweefsel van de dieren. Bij voedselschaarste wordt dit vetweefsel verbruikt voor energie en komen de gifstoffen vrij, met alle nadelige gevolgen van dien. En wanneer mensen de vis eten, komen deze gifstoffen in het lichaam van de mens terecht.

Plastic voedsel voor vogels en zeezoogdieren

De kleinere stukjes plastic worden ook aangezien voor eten door vogels en zeezoogdieren. Na consumptie van het plastic duurt het een maand tot 2 jaar voordat het plastic weer uit het lijf van het dier is. Al deze tijd zit het plastic in het lichaam van het dier, waardoor het minder goed voedsel op kan nemen en ook het hongergevoel wordt weggenomen. Dit heeft een sterk negatieve invloed op de conditie van het dier, met zelfs mogelijk de dood tot gevolg. Bij jarenlang onderzoek naar Noordse Stormvogels werd bij 98% van de vogels plastic in de maag aangetroffen. In 2004 vond er een massale sterfte onder Noordse Stormvogels in de Zuidelijke Noordzee plaats, waarbij gif uit gegeten plastic een grote rol bij lijkt te hebben gespeeld.

Afval in zee beïnvloedt maar liefst 267 soorten wereldwijd. 86% van alle zeeschildpadden (die plastic zakken makkelijk aanzien voor smakelijke kwallen) worden door plastic bedreigd, 44% van de zeevogels en 43% van alle zeezoogdieren. Dit zijn slechts voorzichtige schattingen, want de meeste dieren die gedood worden door plastic zullen verdwijnen in de oceaan. Zij worden niet gevonden en dus ook niet meegerekend met deze getallen.

Vooral jonge zeeleeuwen worden het slachtoffer van plastic. Nieuwsgierig en speels als zij van nature zijn, worden zij aangetrokken door het ronddrijvend afval. Vaak met fatale gevolgen; jonge zeeleeuwen raken verstrikt in plastic en sterven uiteindelijk een langzame en pijnlijke dood door verstikking, of omdat het plastic zich steeds dieper in het vel boort (omdat het niet met het dier meegroeit). Tragisch genoeg zal na de dood van de zeeleeuw het plastic nog lang niet zijn afgebroken en is het weer klaar voor een nieuw slachtoffer.

De plastic soep is erg moeilijk op te ruimen. Grote stukken plastic zouden nog uit het water gezeefd kunnen worden, maar voor de kleinere deeltjes is dit bijna onmogelijk. Al het plankton zou dan ook uit het water gezeefd worden. Het is van groot belang dat de toevoer van plastic afval in de oceanen zo snel mogelijk stopt.

Kwikvissen

Er wordt ons verteld dat we 2 keer per week vis moeten eten, terwijl er in vis grote hoeveelheden gifstoffen voor kunnen komen. Kwik en dioxines zijn de meest onderzochte soorten gif in vis.
Kwik is een wereldwijde vervuiler en de mens is verantwoordelijk voor een groot deel hiervan (67%). Vissen en schelpdieren hebben de eigenschappen om giftige stoffen op te nemen via het water en via hun voedsel. Het duurt vaak erg lang voordat deze stoffen weer uit hun lichaam zijn verdwenen. Mensen staan hierdoor ook bloot aan deze giftige stoffen wanneer zij vis consumeren.

De kwik die in vissen voorkomt bestaat voor meer dan 90% uit de organische vorm van kwik, methylkwik. Methylkwik komt niet, zoals veel andere giftige stoffen, in het vet van de vis voor, maar zit door het hele lichaam in spieren, huid en weefsels.
De toegestane inname norm in Nederland van methylkwik is 200 µg per persoon per week. Dit is de norm die de World Health Organisation (WHO) adviseert. Het RIVM (Rijks Instituut voor Volkgezondheid en Milieu) adviseert echter een veel lagere norm: 39,2 µg per persoon per week.  Deze verschillen zijn ontstaan doordat de WHO een lagere veiligheidsnorm heeft en meer methylkwik toestaat omdat zij oordeelt dat vis ook erg gezond is.

In vis mag 0.5 – 1 mg/kg kwik zitten (in de VS ligt deze norm lager, daar mag maar 0.3 mg/kg in vis zitten). Voorbeelden van enkele soorten vis die veel worden gegeten met hun methylkwikgehaltes:
In makreel kan wel 0.66 mg/kg methylkwik zitten. Voor 1 portie makreel van 150 gram betekent dit dat er 99 µg methylkwik in zit. In tonijn zit gemiddeld 0.675 mg/kg methylkwik. In 1 portie van 150 g zit dus al 101 µg methylkwik. In haring zit 0.04 mg/kg methylkwik. In 1 portie (150 g) zit 6 µg methylkwik.

Alleen haring is dus veilig te eten zonder de norm van het RIVM te overschrijden. Bij makreel en tonijn wordt de norm van het RIVM al overschreden bij 1 portie, en de norm van het WHO wordt ook overschreden bij het eten van 2 porties tonijn per week. Uiteraard telt dit alleen voor methylkwik. Daar moet het risico van dioxines, brandvertragers en andere giftige stoffen die ook in vis zitten bij opgeteld worden. Voedingsadviesorganisaties koppelen de verschillende stoffen los van elkaar om de consument niet af te schrikken. Het zou veel eerlijker zijn om een optelsom te maken van de gifstoffen.

Dioxines

Er zijn aanwijzingen dat kwik in vis de positieve effecten van omega-3 vetten opheft.
Dioxines zijn zeer giftige, kankerverwekkende stoffen, die vooral in ons milieu vrijkomen door vervuilende industrieën. Dioxine concentreert zich in het vetweefsel van vissen en vooral vette vis bevat dus veel dioxines. Dioxines zijn in zeer lage concentraties al kankerverwekkend en kunnen ook voor andere schadelijke effecten hebben, zoals huidaandoeningen, neurologische schade en immuniteitsproblemen.

Op basis van dierproeven is de maximale hoeveelheid door het Scientific Committee on Food (SCF) vastgesteld op 14 picogram dioxine en dioxine-achtige PCB’s per kg lichaamsgewicht per week (= 2 picogram TEQ/kg lg/dag). Dit is de norm die nu in Nederland gehandhaafd wordt. Hier is een paar jaar geleden discussie over geweest, toen is er overwogen om de norm de helft lager te maken: 1 pg/kg lg/dag. Dit is een veel veiligere norm, maar deze is niet doorgezet.
In verse vis mag 4 pg per gram vers gewicht bevatten. Behalve voor paling, die mag 12 pg/g bevatten. Dit betekent dus dat je als persoon van 70kg maar maximaal 82 g paling per week zou mogen eten (en daarnaast niets meer wat maar dioxines kan bevatten). Met andere woorden: paling bevat erg veel gif, maar het voorkomen van de ondergang van de palingindustrie lijkt belangrijker te zijn dan de gezondheid van de bevolking.

In vis zit 2,4 – 214,3 pg I-TEQ per gram vet (gemiddeld 21.2 pg I-TEQ/g vet). Deze grote reikwijdte ligt aan het grote verschil in dioxinegehalte tussen vette en niet-vette vis (vette vis bevat een veel groter gehalte aan dioxinen). Dit betekent dat wanneer een vrouw van 60 kilo een portie vette vis eet met het maximale gehalte aan dioxines (200 gram, 15% vet), zij meer dan 100 keer de toegestane dagelijkse hoeveelheid dioxines binnen krijgt.
16% van de dioxines die Nederlanders binnenkrijgen, komen ons lichaam binnen via onze visconsumptie. Dit is gebaseerd op het huidige voedselpatroon van Nederlanders. Een Nederlander eet gemiddeld 1x per 15 dagen een portie vis. De gezondheidsraad en het voedingscentrum adviseren echter om 2x per week vis te eten. Dit betekent dat de visconsumptie in Nederland 4x hoger zou moeten worden. Naast dat dit onverantwoord is omdat het al erg slecht gesteld is met de wereldwijde visbestanden, zal ook de inname van dioxines hiermee aanzienlijk verhoogd worden.

Als de visconsumptie 4x zo hoog wordt, zal zowel de totale inname van dioxine als het percentage hiervan dat van vis afkomstig is sterk verhogen. De totale inname neemt met 48% toe, en het percentage dat van vis afkomstig is wordt dan 43.2% in plaats van 16%.De gemiddelde inname van dioxine en pcb’s is 1,2 tot 3 pg/kg lg/dag. Met 48% toename van deze aantallen wordt dit 1.8 tot 4.4 pg/kg lg/dag. De toegestane norm is 2 pg/kg lg/dag. Als deze hoeveelheden vis worden geconsumeerd (2x per week vis) zal men dus maar net onder, of over de norm zitten.
Bron; www.seathetruth.nl

Commentaar NDN

Diverse onderzoeken (zie onderaan de referenties) tonen het belang aan van omega 3 vetzuren, ook een recent onderzoek(1) Voldoende inname van DHA speelt een belangrijke rol in de goede ontwikkeling van de hersenen na de geboorte, en een hogere inname op jonge leeftijd gaat tevens gepaard met een lagere kans op bepaalde neuropsychiatrische aandoeningen zoals schizofrenie. Om na te gaan of er ook een verband bestaat tussen de hoeveelheid DHA in het lichaam (gemeten in fosfolipiden in het bloed) en het functioneren van de hersenen op middelbare leeftijd hebben onderzoekers bloed afgenomen bij 280 gezonde vrijwilligers van 35 tot 55 jaar. Alle personen hadden geen psychiatrische klachten en namen geen visoliesupplementen. Vervolgens werden alle proefpersonen onderworpen aan een uitgebreide test die diverse hersenfuncties beoordeelt. In het bloed werden de gehaltes van de diverse omega-3 vetzuren (alfa-linoleenzuur (ALA), eicosapentaeenzuur (EPA) en docosahexaeenzuur (DHA) bepaald)

Hierbij werd gevonden dat hogere concentraties DHA in de fosfolipiden in het bloed gepaard ging met betere prestaties in de tests. Er werd geen verband gevonden tussen de hoeveelheid EPA of ALA en het functioneren van de hersenen. Deze resultaten tonen aan dat voldoende inname van DHA ook na de eerste levensjaren belangrijk is voor een goede hersenfunctie.
Omega 3 vetzuren spelen teven een belangrijke rol bij het voorkomen van o.a. hart- en vaatziekten, ziekten met acute of chronische ontstekingscomponent, reumatoïde artritis,
inflammatoire darmziekten, neuropsychiatrische aandoeningen, veroudering van het oog, behoud van gezonde botten, immuunrespons en allergie, Metabool syndroom en diabetes type 2, astma en hooikoorts, etc.

De vraag is alleen moeten we dit uit vis halen of zijn er andere bronnen. Gaan we voorbij aan dierenleed omdat wetenschappelijke studies aantonen dat we dit nodig hebben?
Vegetarische DHA Gezien de sombere visberichten is het belangrijk om te weten dat er een mogelijkheid is DHA in een vegetarische vorm in te nemen. De DHA in VeganDHA wordt gewonnen uit de microalg Schizochytrium sp. en wordt aangeboden in een vegetarische capsule. Per dagdosering van 2 capsules levert dit 320 mg omega-3-vetzuren op waarvan minstens 300 mg DHA.

Bij alle vetzuurpreparaten wordt aangeraden om voldoende (extra) vitamine E in te nemen, zodat oxidatie van de vetzuren in het lichaam wordt voorkomen. Essentiële vetzuren hebben veelal tijd nodig om hun werkzaamheid te bewijzen. Omega-3 vetzuren tonen hun effecten aan in een tijdsbestek variërend van 4 weken tot circa 4 maanden.

Literatuur en links:

1. Matthew F. Muldoon, Christopher M. Ryan, Lei Sheu, Jeffrey K. Yao, Sarah M. Conklin, and Stephen B. Manuck. Serum Phospholipid Docosahexaenonic Acid Is Associated with Cognitive Functioning during Middle Adulthood. J. Nutr. published 24 February 2010
2. Akabas SR et al. Summary of a workshop on n-3 fatty acids: current status of recommendations and future directions. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1536S-1538S.
3. Arterburn LM et al. Distribution, interconversion, and dose response of n-3 fatty acids in humans. Am J Clin Nutr. 2006;83(6S):1467S-1476S.
4. Goyens PL et al. Compartmental modeling to quantify alpha-linolenic acid conversion after longer term intake of multiple tracer boluses. J Lipid Res. 2005;46(7):1474-83.
5. Gebauer SK et al. n-3 Fatty acid dietary recommendations and food sources to achieve essentiality and cardiovascular benefi ts. Am J Clin Nutr. 2006;83(6S1):1526S-1535S.
6. Wang C et al. n-3 Fatty acids from fish or fish-oil supplements, but not alpha-linolenic acid, benefit cardiovascular disease outcomes in primary- and secondary-prevention studies: a systematic review. Am J Clin Nutr. 2006;84(1):5-17.
7. Seo T et al. Omega-3 fatty acids: molecular approaches to optimal biological outcomes. Curr Opin Lipidol. 2005;16(1):11-8.
8. Hibbeln JR et al. Healthy intakes of n-3 and n-6 fatty acids: estimations considering worldwide diversity. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1483S-1493S.
9. Jensen CL. Eff ects of n-3 fatty acids during pregnancy and lactation. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1452S-1457S.
10. Decsi T et al. N-3 fatty acids and pregnancy outcomes. Curr Opin Clin Nutr Metab Care. 2005;8(2):161-6.
11. Freeman MP. Omega-3 fatty acids and perinatal depression: A review of the literature and recommendations for future research. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2006;doi:10.1016/j.plefa.2006.07.007.
12. Helland IB et al. Maternal supplementation with very-long-chain n-3 fatty acids during pregnancy and lactation augments children’s IQ at 4 years of age. Pediatrics. 2003;111(1):e39-44.
13. Antalis CJ et al. Omega-3 fatty acid status in attention-defi cit/hyperactivity disorder. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2006;Sep 7.
14. Richardson AJ. Clinical trials of fatty acid treatment in ADHD, dyslexia, dyspraxia and the autistic spectrum. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2004;70(4):383-90.
15. Psota TL et al. Dietary omega-3 fatty acid intake and cardiovascular risk. Am J Cardiol. 2006;98(4A):3i-18i.
16. Dietary supplementation with n-3 polyunsaturated fatty acids and vitamin E after myocardial infarction: results of the GISSIPrevenzione trial. Gruppo Italiano per lo Studio della Sopravvivenza nell’Infarto miocardico. Lancet. 1999;354(9177):447-55.
17. Mori TA. Omega-3 fatty acids and hypertension in humans. Clin Exp Pharmacol Physiol. 2006;33(9):842-6.
18. Studer M et al. Eff ect of diff erent antilipidemic agents and diets on mortality: a systematic review. Arch Intern Med. 2005;165(7):725-30.
19. Appel LJ et al. Does supplementation of diet with ‘fi sh oil’ reduce blood pressure? Arch Intern Med. 1993;153:1429–38.
20. Geleijnse JM et al. Blood pressure response to fi sh oil supplementation: Meta regression analysis of randomized trials. J Hypertens. 2002;20:1493–9.
21. Vandongen R et al. Eff ects on blood pressure of Ω3 fats in subjects at increased risk of cardiovascular disease. Hypertension 1993;22:371–9.
22. Breslow JL. n-3 fatty acids and cardiovascular disease. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1477S-1482S.
23. Calder PC. Polyunsaturated fatty acids and infl ammation. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 2006;75(3):197-202.
24. Calder PC. n-3 polyunsaturated fatty acids, inflammation, and inflammatory diseases. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1505S- 1519S.
25. Niu K et al. Dietary long-chain n-3 fatty acids of marine origin and serum C-reactive protein concentrations are associated in a population with a diet rich in marine products. Am J Clin Nutr. 2006;84(1):223-9.
26. McGeer PL et al. Inflammation, antiinflammatory agents and Alzheimer disease: The last 12 years. J Alzheimers Dis. 2006;9(3S):271-6.
27. Nettleton JA et al. n-3 long-chain polyunsaturated fatty acids in type 2 diabetes: a review. J Am Diet Assoc. 2005;105(3):428- 40.
28. Hardman WE. (n-3) fatty acids and cancer therapy. J Nutr. 2004;134(12S):3427S- 3430S.
29. Adam O et al. Anti-infl ammatory eff ects of a low arachidonic acid diet and fi sh oil in patients with rheumatoid arthritis. Rheumatol Int. 2003;23(1):27-36.
30. Berbert AA et al. Supplementation of fish oil and olive oil in patients with rheumatoid arthritis. Nutrition. 2005;21(2):131-6.
31. Belluzzi A. Polyunsaturated fatty acids (n-3 PUFAs) and infl ammatory bowel disease (IBD): pathogenesis and treatment. Eur Rev Med Pharmacol Sci. 2004;8(5):225-9.
32. Young G et al. Omega-3 fatty acids and neuropsychiatric disorders. Reprod Nutr Dev. 2005;45(1):1-28.
33. Kalmijn S. Fatty acid intake and the risk of dementia and cognitive decline: a review of clinical and epidemiological studies. J Nutr Health Aging. 2000;4(4):202-7.
34. Tiemeier H et al. Plasma fatty acid composition and depression are associated in the elderly: the Rotterdam Study. Am J Clin Nutr. 2003;78(1):40-6.
35. Johnson EJ et al. Potential role of dietary n-3 fatty acids in the prevention of dementia and macular degeneration. Am J Clin Nutr. 2006;83(6Sl):1494S-1498S.
36. Parker G et al. Omega-3 fatty acids and mood disorders. Am J Psychiatry. 2006;163(6):969-78. 37. Morris MC et al. Consumption of fish and n-3 fatty acids and risk of incident Alzheimer disease. Arch Neurol. 2003;60(7):940-6.
38. Calon F et al. Docosahexaenoic acid protects from dendritic pathology in an Alzheimer’s disease mouse model. Neuron. 2004;43(5):633-45.
39. SanGiovanni JP et al. The role of omega- 3 long-chain polyunsaturated fatty acids in health and disease of the retina. Prog Retin Eye Res. 2005;24(1):87-138.
40. Watkins BA et al. Nutraceutical fatty acids as biochemical and molecular modulators of skeletal biology. J Am Coll Nutr. 2001;20(5S):410S-416S.
41. Weiss LA et al. Ratio of n-6 to n-3 fatty acids and bone mineral density in older adults: the Rancho Bernardo Study. Am J Clin Nutr. 2005;81(4):934-8.
42. Calder PC. Polyunsaturated fatty acids and cytokine profi les: a clue to the changing prevalence of atopy? Clin Exp Allergy. 2003;33(4):412-5.
43. Kull I et al. Fish consumption during the first year of life and development of allergic diseases during childhood. Allergy. 2006;61(8):1009-15.
44. Carpentier YA et al. n-3 fatty acids and the metabolic syndrome. Am J Clin Nutr. 2006;83(6S1):1499S-1504S.
45. Sirtori CR et al. One-year treatment with ethyl esters of n-3 fatty acids in patients with hypertriglyceridemia and glucose intolerance reduced triglyceridemia, total cholesterol and increased HDL-C without glycemic alteration. Atherosclerosis 1998;137:419– 427.

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen