skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Voedingsadviezen na een DNA test

Gezondheid is ‘in’ en het gesprek van de dag. De overheid probeert mensen met campagnes zoals ‘Let op verborgen vet’ bewust te maken.
Aldus is het een aardige klus om betrouwbare informatie te onderscheiden van de adviezen die men beter links kan laten liggen. Of om de informatie te selecteren die specifiek op uw situatie van toepassing is.

Wetenschappelijke studies

Wetenschappelijke studies zijn een belangrijke inspiratiebron voor degelijke gezondheidsadviezen. Net zoals behandelmethoden in de geneeskunde zoveel mogelijk ‘evidence-based’ moeten zijn, geldt dit ook voor gezondheidsinformatie zoals voedingsadviezen.
De Gezondheidsraad is in Nederland een belangrijk adviesorgaan op dit vlak. Deze adviezen worden opgepikt en mogelijk vervolgens geïmplementeerd door individuen. Echter, het onderzoek waarop ze veelal worden gebaseerd is vaak epidemiologisch van aard. Informatie van grote groepen mensen wordt geanalyseerd en door middel van odds ratios en risicopercentages worden kansen op gezondheid en ziekte berekend.

Dat mensen onderling verschillen in bijvoorbeeld genetische aanleg, leefstijl en culturele omgeving is duidelijk. Dat bepaalde adviezen nuttig kunnen zijn voor de meerderheid, betekent echter niet dat een individu er baat bij heef. Hiervoor heeft ook de wetenschap zijn ogen niet gesloten.

In de laatste jaren is er meer aandacht voor het individu, aandacht die gekatalyseerd is door de ontrafeling van het humane genoom. Het menselijk genoom is tenslotte sterk betrokken bij wat een individu uniek maakt: behalve uiterlijkheden staan ook de persoonlijkheid, stofwisseling en ziektegevoeligheid onder sterke invloed van de unieke genetische aanleg. Maar genetische predispositie op zichzelf is lang niet altijd de enige voorwaarde voor gezondheid of ziekte. De omgeving speelt hierin ook een belangrijke rol.

Prenatale periode, voeding, leefwijze, socio-economische status en culturele omgeving zijn slechts enkele voorbeelden van variabelen die tot de omgeving van het individu behoren en hun invloed op gezondheid, ziekte en welzijn uitoefenen. Gezondheid en ziekte zijn een resultante van het ingewikkelde samenspel tussen genen en omgeving.

Gen-omgevingsinteractie

Borstvoeding wordt sinds enkele jaren sterk gepromoot vanwege positieve gezondheidseffecten voor zowel moeder als kind. Zo bevat borstvoeding specifieke antistoffen die belangrijk zijn voor de immuniteit van de zuigeling. Daarnaast wordt de affectieve band tussen moeder en kind gestimuleerd door borstvoeding. Vrouwen die borstvoeding geven hebben minder risico op reumatoïde artritis en mogelijk ook op borst- en eierstokkanker. Verder blijken zij na de zwangerschap sneller op gewicht te zijn dan moeders die flesvoeding geven.
Voorts is beschreven dat borstgevoede kinderen hogere scores op een IQ-test (intelligentie test) behaalden dan flesgevoede kinderen. Aangenomen werd dat dit het gevolg was van de vetzuursamenstelling van moedermelk. Borstvoeding bevat namelijk meer lange keten vetzuren zoals docosahexaeenzuur (DHA, omega-3) en arachidonzuur (AA, omega-6) dan flesvoeding. Uit studies met diermodellen is gebleken dat deze vetzuren van invloed zijn op de cognitieve ontwikkeling omdat ze onder meer noodzakelijk zijn voor efficiënte neurotransmissie, dendrietgroei en regeneratie van neuronen.

Gezien de invloed van essentiële vetzuren op de hersenontwikkeling van baby’s, is in onderzoek gekeken naar een mogelijke genetische regulatie van dit effect. Een recente maar inmiddels haast klassiek geworden studie van Caspi en medewerkers beschrijft onderzoek naar deze gen-omgevingsinteractie tussen IQ en borstvoeding. Caspi et al onderzochten het DNA van zowel moeders als hun kinderen uit verschillende landen en cohorten.

Genetische variatie & borstvoeding

Op chromosoom 11 is het FADS2 gen gelegen, een gen dat codeert voor het enzym delta-6-desaturase. Dit enzym speelt een belangrijke rol in de stofwisseling van DHA en AA en de expressie van FADS2 wordt gereguleerd door deze lange ketenvetzuren. Van de meeste genen zijn verschillende polymorfismes beschikbaar, dit zijn subtiele verschillen in genetische code die SNP’s (spreek uit: snips) genoemd worden. Bij een SNP is een enkele nucleotide in de genetische code gewijzigd. In geval van het gen FADS2 komen 2 SNP’s veelvuldig in de populatie voor. Binnen deze genetische variatie blijken 2 allelen mogelijk: een C en een G allel (kinderen krijgen 1 allel van de vader en 1 allel van de moeder mee). Dit betekent dat er 3 genetische mogelijkheden zijn: CC, CG en GG.
Uit het onderzoek van Caspi blijkt dat wanneer een baby een C allel draagt, het krijgen van moedermelk hun IQ verhoogt vergeleken met het krijgen van flesvoeding. Wanneer een baby homozygoot is voor het C allel (CC), blijkt borstvoeding het sterkst van positieve invloed op IQ. Bij kinderen met de GG variant maakt het voor hun IQ niet uit of zij moedermelk of flesvoeding krijgen. Hier is dus sprake van een interactie effect: alleen wanneer een baby 1 of 2 C-allelen bezit is borstvoeding van invloed op het IQ.

Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat het genotype met SNP CC of CG leidt tot de expressie van een effectiever delta-6-desaturase eiwit. Daarnaast kan de invloed van essentiële vetzuren zich uitstrekken over meerdere genen. Zo is bekend dat deze vetzuren ook genen reguleren die coderen voor synaptische plasticiteit. Ten behoeve van dit voorbeeld wordt deze uitkomst simpel voorgesteld: de kans op CC, CG of GG is even groot, namelijk 1/3.

Dit betekent dat er 1/3 kinderen is (CG) van wie het IQ hoger is wanneer ze borstvoeding krijgen (ten opzichte van flesvoeding). Bij een ander derde (CC) is de discrepantie op IQ bij borstvoeding vergeleken met flesvoeding nog groter. Tenslotte heeft voor een derde van de kinderen borstvoeding voor het IQ geen voordelen boven flesvoeding. Aangezien tweederde van de kinderen voordeel van borstvoeding heeft op IQ, kan dit door autoriteiten als voldoende aanleiding gezien worden een algemeen advies in het voordeel van borstvoeding uit te brengen.

Dementie en ApoE4

Een tweede voorbeeld om de invloed van individuele genetische variatie te illustreren. Onderzoek naar de invloed van omega-3 vetzuren op het risico van dementie zijn tot dusver matig positief, en wat inconsistent. Bekend is dat het ApoE4 gen dat op chromosoom 19 ligt een verhoogd risico op dementie geeft. Een Frans onderzoeksteam keek naar de invloed van dieet bij mensen met een specifiek genotype: dragers van het ApoE4 gen werden vergeleken met niet-dragers.
Bij dit prospectieve onderzoek waren ruim 8000 mensen van 65 jaar of ouder betrokken, geen van allen vertoonden bij de start van het onderzoek tekenen van dementie. De dagelijkse inname van groenten en fruit werd in kaart gebracht, en daarnaast eten van vis (bron van omega-3 vetzuren), gebruik van andere vetten en de wijnconsumptie. Uit de studieresultaten blijkt dat het dagelijks eten van groenten en fruit het risico op dementie verlaagd. Ook het eten van wekelijks 1 portie vette vis bleek van invloed op dementie: het verlaagde het risico met circa 40%.

Echter, dit werd enkel bij de niet-dragers gevonden. Bij mensen die in het bezit van het ApoE4 gen waren, bleek visconsumptie niet te beschermen tegen dementie. Mogelijk werkt de aanwezigheid van dit gen wijzigend op de invloed van omega-3 vetzuren op het amyloid metabolisme. Voor mensen met het ApoE4 gen is het advies wekelijks vis te eten om het risico op dementie te verlagen op basis van het huidige onderzoek dus niet te onderbouwen.

DNA onderzoek

De meeste gezondheidsadviezen zijn gebaseerd op grote epidemiologische studies die geen causale effecten meten maar verbanden leggen tussen de inname van bijvoorbeeld bepaalde voedingsstoffen en ziekte. Uit bovenstaande blijkt dat voor het individu zo’n advies niet altijd nuttig hoeft te zijn.
De onderzochte populatie is vrijwel nooit genetisch onderzocht (studies zoals die van Caspi zijn van het recente verleden, en veel studies lopen nog (of moeten überhaupt nog van start gaan). Bovenstaande zijn voorbeelden van gen-voeding interacties waar er meer van bekend zijn en die waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg zijn.

Zo blijkt ook de leverontgifting sterk afhankelijk van voedingsstoffen die een interactie aangaan met genen die coderen voor het cytochroom P450 systeem. Dit betekent bijvoorbeeld dat de inname van indol-3-carbinol uit onder meer broccoli bij het ene individu inducerend op de lever ontgifting werkt, en bij iemand met een ander genotype hele andere effecten heeft.

Een persoonlijk dieetplan, gebaseerd op het unieke DNA van het individu lijkt daarom noodzakelijk en onontkoombaar om wijs te worden uit de wirwar van gezondheid- en dieetadviezen. Enkele commerciële bedrijven zijn hier al op in gesprongen. Door DNA af te staan (via een testpakket met een wattenstaafje voor wat wangslijmvlies) kan in het buitenland een DNA screening aangevraagd worden, compleet met een rapportage en dieetadvies.

Behalve voor het individu lijkt er ook winst op economisch vlak te behalen met de persoonlijk gemaakte geneeskunde. Het wordt hiermee veel gemakkelijker zinvolle behandelingen te selecteren. Mensen hoeven niet meer bloot te staan aan nutteloze en belastende interventies en risico op bepaalde aandoeningen kan wellicht verlaagd worden door een specifieke leefstijl te gaan hanteren. Dit klinkt als harmonische toekomstmuziek.

DNA screening voor een voeding op maat?

Maar voor u allen de wattenstaafjes in de mond neemt, geldt ook hier dat de werkelijkheid is een stuk complexer dan het model of de theorie. Veel ziekten worden multifactorieel en multicausaal beïnvloedt. In geval van een complexe eigenschap zoals intelligentie is het erg onwaarschijnlijk dat deze enkel door het FADS2 gen beïnvloed wordt.
Dit geldt voor zeer veel andere eigenschappen: er zijn over het algemeen clusters van genen bij een zekere eigenschap betrokken, en zelfs deze clusters verklaren vaak bij lange na niet de variatie die gevonden wordt voor die eigenschap.
Daarnaast is de samenstelling van voedingsmiddelen dusdanig complex en heterogeen in de tijd dat de mogelijke interactie effecten schier oneindig kunnen zijn. Op basis van de huidige kennis is het daarom onmogelijk en onwenselijk een compleet individueel dieet- en levensstijl advies uit te brengen, gebaseerd op het specifieke DNA.

Nutrigenomics, het wetenschappelijke vakgebied dat hier onderzoek naar doet staat momenteel in zijn kinderschoenen. Gezien de complexiteit van de materie ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit op korte termijn wel te realiseren wordt. Experts op het gebied van nutrigenomics verwachten dat de individualisatie van de geneeskunde veel meer in clusters zal gaan verlopen.

Waar in het verleden in epidemiologische studies alle genotypes bij elkaar genomen, zal dit in de toekomst meer groepsgewijs gaan gebeuren. Dit kan betekenen dat er in plaats van gen-omgevingsinteractie over clustergenen-omgevingsinteractie gesproken zal worden. Maar ook dan zal een individueel advies waarschijnlijk een uiterst precaire aangelegenheid zijn.

In geval van een individu in het bezit van het ApoE4 gen: het wekelijks eten van vis lijkt het risico op dementie niet te verlagen. Maar hoe zit dat bijvoorbeeld wanneer het gaat om cardiovasculaire parameters? Hier is bekend dat omega-3 vetzuren van positieve invloed zijn. En ook hier zal de komende jaren gekeken worden naar de genotypes die het meest profiteren van omega-3 inname. Gezien de genetische variatie kan men dan nog voor lastige keuzes komen te staan. Het advies van de cardioloog zou tegenstrijdig aan dat van de neuroloog kunnen zijn terwijl beide zich baseren op het unieke DNA van de patiënt. Dit alles hoeft het voor de patiënt niet overzichtelijker te maken.

Conclusie

Voor er concrete aanbevelingen voor een individu gedaan kunnen worden op basis van zijn unieke DNA zijn er veel meer onderzoeksgegevens nodig. Tot die tijd lijken aloude adagia zoals ‘alles met mate’ en ‘zorg vol voldoende variatie’ helemaal zo gek nog niet. En zijn deskundige professionals met hun ervaring en intuïtie onontbeerlijk in het adviseren en begeleiden van hun patiënten. Daarnaast brengt ‘het wattenstaafje’ nog een aantal andere vraagstukken in zijn kielzog mee die aandacht verdienen voor we klakkeloos overgaan op DNA als fundament voor gezondheidsadviezen.
Misschien geldt voor dit vakgebied de uitspraak van John Newton wel: “In de wetenschap lijken wij op kinderen, die aan de oever der kennis hier en daar een steentje oprapen, terwijl de wijde oceaan van het onbekende zich voor onze ogen uitstrekt.”
Christianne Vink

Referenties

1 Mortensen EL, Michaelson KF, Sanders SA, Reinisch JM (2002) J Am Med Assoc 287:2365–2371

2 Caspi, A. Benjamin Williams*, Julia Kim-Cohen§, Ian W. Craig, Barry J. Milne, Richie Poulton, Leonard C. Schalkwyk, Alan Taylor, Helen Werts, Terrie E. Moffitt (2007) Moderation of breastfeeding effects on the IQ by genetic variation in fatty acid metabolism, PROCEEDINGS OF THE NATIONAL ACADEMY OF SCIENCES OF THE UNITED STATES OF AMERICA, 104, 47, 18860-18865

3 Barberger-Gateau, C. Raffaitin, L. Letenneur, C. Berr, C. Tzourio, J.F. Dartigues, A. Alpe´ rovitch, (2007) Dietary patterns and risk of dementia,The Three-City cohort study, neurology, 69, 1921-1930

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen