skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1500 artikelen over gezondheid!

De individuele vetzuurstofwisseling

Wetenschappers kunnen op basis van gegevens uit verschillende onderzoeken geen relatie aantonen tussen de inname van verzadigde vetzuren in de voeding en het risico op hart- en vaatziekten (1,2). Er is ook geen verband gevonden tussen het gehalte aan biomarkers in het bloed die wijzen op inname ven verzadigde vetzuren in de voeding en de kans op het optreden van hart- en vaatziekten.

Het vetzuurgehalte en de aanwezigheid van biomarkers in het bloed die op de inname van verzadigd vet wijzen worden ook beïnvloed door de individuele vetzuurstofwisseling. De hoeveelheid en de onderlinge verhouding van de verschillende soorten koolhydraten in de voeding hebben ook invloed op het bloedlipidenprofiel. Dat is ook het geval bij het drinken van alcoholische dranken.

Is verzadigd vet een risico?

De oorzaak van hart- en vaatziekten moet volgens de onderzoekers mogelijk eerder worden gezocht in de inname van fructose. Ook de World Health Organisation (WHO) stuurt aan op een beperking van de enkelvoudige en tweevoudige suikers in de voeding.

Uit de grote dataset (1) die werd bestudeerd bleek dat transvetten een verhoogd risico geven op het ontstaan van hart- en vaatziekten. Transvetten ontstaan door industriële bewerkingen en komen voornamelijk voor in gebak en snacks.

Op basis van de studies is gebleken dat extra inname van visvetzuren mogelijk tot een geringe afname van het risico op hart- en vaatziekten leidt. Er is geen relatie gevonden tussen de inname van andere onverzadigde vetzuren en het bloedlipidenspectrum en cardiovasculair risico.

Voedingsonderzoek kent vele variabelen

Het moeilijk om vanuit onderzoek naar risicofactoren in de voeding voor bepaalde ziekten een vertaalslag te maken naar algemene richtlijnen. Voedingsonderzoek kent vele variabelen die allemaal invloed kunnen uitoefen op elkaar.

Mensen zijn onderling genetisch verschillend, hebben verschillende mate van afweer en voor veel ziekten en aandoeningen geldt dat er meerdere oorzaken zijn. Maar ook als onderzoekers een ‘statistisch significant verschil’ vinden, betekent dat nog niet dat het ook van wezenlijk belang is. Ook geldt dat een correlatie tussen twee variabelen, zoals eetpatroon en het vóórkomen op hart- en vaatziekten, niet perse wijst op een oorzakelijk verband.

Bij het interpreteren van de resultaten moet rekening worden gehouden met de totale voedingsinname. Een volledig dagmenu bestaat uit meerdere maaltijden met verschillende voedingsmiddelen (zoals brood, vlees, kaas, groenten) die op hun beurt weer uit heel veel voedingsstoffen (zoals eiwitten, vetten, koolhydraten) bestaan.

Een oorzaak-gevolg-relatie aan te tonen tussen de inname van een groep voedingsstoffen (vetten) of zelfs een voedingsstof (een specifiek vetzuur) en een ziekte is nog moeilijker. Vaak kan er in voedingsonderzoek alleen een positieve verband (A komt samen voor met B) of een negatief verband (A komt bijna nooit voor met B) tussen de inname van een voedingsstof en het optreden van een ziekte worden aangetoond.

Tijd voor nieuwe richtlijnen

De Gezondheidsraad in Nederland werkt aan nieuwe Richtlijnen voor een Goede Voeding (3) en deze worden in 2015 verwacht. Naast een onderdeel over voedingsstoffen en beweging zal er ook een rapport worden gepresenteerd dat ingaat op voedingsmiddelen en voedingspatronen.

In het werkrapport (3) van de Nederlandse Gezondheidsraad wordt aangegeven dat de bestaande EFSA-richtlijnen voor vetten in de voeding uit 2010 (4) en de meest recente richtlijnen van de American Institute of Medicine uit 2005 (5) als basis zullen worden gebruikt.

De EFSA-richtlijn hanteert wel een maximum voor verzadigd vet. Het Institute of Medicine adviseert echter om zo weinig mogelijk (verzadigd) vet te gebruiken ter voorkoming van hart- en vaatziekten. Nu er nieuwe onderzoeksresultaten zijn over de relatie tussen verzadigd vet en hart- en vaatziekten zijn nieuwe richtlijnen wel op zijn plaats.

Er wordt wereldwijd veel onderzoek gedaan naar vetzuren en dat levert soms verrassende resultaten op. We nemen er een paar met u door.

Visoliesuppletie kosteneffectief bij hartfalen

Suppletie met omega 3-vetzuren is zeer waarschijnlijk een kosteneffectieve behandeling voor patiënten met hartfalen, volgens een berekening van het Britse National Heart and Lung Institute. Wetenschappelijk onderzoek uit 2011 (6) laat zien dat suppletie met omega 3-vetzuren de hospitalisatie en de overlijdenskans bij patiënten met chronisch hartfalen verkleint.

De Britse wetenschappers berekenden met een computermodel de kosten en de voordelen van visoliesuppletie in deze patiëntengroep.
– Aanvulling met omega 3-vetzuren op de standaardbehandeling gedurende de resterende levensjaren bracht in totaal € 1150 directe kosten met zich mee.
– De levensverwachting van de patiënten zou hierdoor met 0,08 kwalitatief goede levensjaren (quality-adjusted life years of QALYs) stijgen.
– De gemiddelde kosten per gewonnen levensjaar gecorrigeerd voor de kwaliteit van leven zouden € 14.600 zijn.
– Wanneer men bereid is € 34.600 te betalen voor ieder gewonnen levensjaar van goede kwaliteit, is het voor 60% aannemelijk dat aanvulling met omega 3 vetzuren ten opzichte van placebogebruik kosteneffectief zal zijn.

Visvetzuren beschermen tegen atriumfibrilleren

In de periode van 1992 tot 2006 werden meer dan 3300 Amerikaanse vijfenzestigplussers gevolgd (7) die aan het begin van de studie geen atriumfibrilleren of hartfalen hadden. In het bloedplasma werd de concentratie van eicosapentaeenzuur (EPA), docosapentaeenzuur (DPA) en docosahexaeenzuur (DHA) gemeten.

In de volgperiode werd bij 789 personen atriumfibrilleren vastgesteld aan de hand van de gegevens van ECG’s. Personen met de hoogste concentratie van EPA, DPA en DHA hadden met 29% significant minder kans op atriumfibrilleren in vergelijking met personen met een lage concentratie van deze omega 3-vetzuren.

De DHA concentratie was – in tegenstelling tot EPA en DPA – duidelijk gerelateerd aan een lager risico van atriumfibrilleren. Er werd een lineair verband gevonden tussen zowel de DHA- als de totale omega 3-vetzuurconcentratie en het risico van atriumfibrilleren. De aanwezigheid van hartfalen of een doorgemaakt myocardinfarct had overigens geen invloed op de resultaten.

Atriumfibrilleren betekent letterlijk ‘trillen van de hartboezem’. Het atrium is een deel van het hart. Bepaalde zenuwvezels zorgen ervoor dat het hart steeds een (elektrische) prikkel krijgt om te kloppen. Bij atriumfibrilleren zijn deze prikkels verstoord waardoor het hart onregelmatig klopt. Soms kan atriumfibrilleren kort duren, bijvoorbeeld bij een stoornis van de schildklier, bij een longontsteking of bloedarmoede, of direct na een hartinfarct of een hartoperatie.

Atriumfibrilleren kan ook optreden na zware inspanning of stress, een stevige maaltijd of het drinken van veel alcohol of koffie, en na gebruik van drugs of bepaalde medicijnen (sommige schildklier- of astmamedicijnen).

Als bijvoorbeeld stress, koffie, alcohol, drugs of een zware maaltijd het atriumfibrilleren hebben uitgelokt, dan is het verstandig deze factoren te beperken of te vermijden. Een leefstijl met gezonde natuurvoeding en voldoende lichaamsbeweging kan hierbij helpen. Histamine intolerantie en IgG voedselreacties kunnen soms ook een rol spelen bij atriumfibrilleren.

De kans op atriumfibrilleren is groter bij mannen, ouderen (75-plussers) en mensen met een hartklepafwijking, een hartziekte, hoge bloeddruk of suikerziekte (diabetes). Bij ouderen kan een hoge omega 3-vetzuurspiegel beschermen tegen het risico van atriumfibrilleren. Atriumfibrilleren is de meest voorkomende vorm van hartritmestoornissen.

Omega-3 als bloedstollingsremmer?

Aanvulling van omega-3-vetzuren na een percutane hartingreep beïnvloedt de bloedstollingsparameters in gunstige zin. Fibrineproppen in het bloed zijn dan minder compact, terwijl de hoeveelheid fibrinogeen niet gewijzigd wordt. Ook de productie van trombine en de oxidatieve stress gaat omlaag.

Het lijkt erop dat omega-3 rechtstreeks nodig is om goede, afbreekbare bloedstolsels te genereren. Een te snelle vorming van trombine en een te hoge oxidatieve stress (typisch na een ingreep) geven aanleiding tot ongunstige, compacte proppen.

Sydney Diet Heart Study

Uit een publicatie (9) in British Medical Journal, waarin opnieuw een analyse is gemaakt van de Sydney Diet Heart Study blijkt dat het vervangen van verzadigd vet door linolzuur (omega-6-vetzuren) gepaard gaat met een hoger sterfterisico.

Eenduidiger zijn de studies die onderbouwen dat een juiste verhouding tussen omega-3- en omega-6 vetzuren essentieel is voor het behoud van een goede gezondheid.

Nederlanders krijgen over het algemeen te weinig van de omega-3 vetzuren EPA en DHA binnen ten opzichte van de omega-6 vetzuren. Deze visvetzuren zijn voor tal van mensen in elke levensfase belangrijk.

Kokosolie met medium chain fatty acids, afgekort: MCFA

Onderzoek (10) naar middellange keten vetzuren (Engels: medium chain fatty acids, afgekort: MCFA) heeft nieuw licht geworpen op de effecten op onder andere insulineresistentie. MCFA zijn een belangrijk bestanddeel van kokosolie. Ongeveer 75% van de vetzuren in kokosolie is van dit type.

Het onderzoek toonde aan dat wanneer gangbaar vet, gewoonlijk rijk aan lange-keten vetzuren, vervangen werd door middellange keten vetzuren, de vetverbranding steeg, insulineresistentie in spier- en vetcellen afnam en vetopslag afnam.

Mogelijk zou het eten van MCFA kunnen leiden tot vetopslag in de lever. De onderzoekers raden dan ook aan om, naast meer MCFA, ook visolie te gebruiken. Het blijft altijd belangrijk om een gebalanceerde vetinname te hebben. Naast een dosis MCFA heeft het lichaam ook behoefte aan visvetzuren, korte-keten vetzuren en omega-6 en-9 vetzuren. Omega-9-vetzuren zijn bijvoorbeeld uit avocado of olijfolie halen (zie pdf onderaan artikel)

De meeste mensen krijgen van een aantal soorten vetzuren te weinig binnen. Kokosolie voorziet in ieder geval in korte-keten en middellange-keten vetzuren.

Het belang van verzadigde vetten voor biologische functies

Bepaalde verzadigde vetzuren zijn van essentieel belang voor o.a. signalerings- en stabiliseringsprocessen in het lichaam. Signaleringsprocessen werken in de cellen op het niveau van vlieseiwitten. De meeste van deze eiwitten worden G-proteïnereceptors genoemd.

De G-proteïnereceptors worden gestimuleerd door verscheidene moleculen en kunnen ‘in- of uitgeschakeld’ worden door bepaalde typen vetzuren. G-proteïne (guanine nucleotice bindende eiwitten) of G-eiwit is een familie van proteïnes betrokken bij de signaaloverdracht buiten de cel die veranderingen binnen de cel veroorzaakt.

G-eiwitten zijn betrokken bij de signaaloverdracht van veel hormonen, neurotransmitters en andere signaalmoleculen. De G-proteïnes reguleren metabolische enzymen, ionkanalen, transporteiwitten en veel andere processen in de cel (zie doorlink onderaan dit artikel naar een animatie met uitleg).

De verzadigde vetzuren die een belangrijke rol spelen in deze processen zijn het uit 16 koolstofatomen opgebouwde palmitinezuur, het uit 14 koolstofatomen bestaande myristinezuur en het uit 12 koolstoffen vervaardigde laurinezuur.

Palmitinezuur in palmolie, dierlijke en zuivelvetten

Deze verzadigde vetzuren komen voor in bepaalde voedselvetten. Palmitinezuur komt bijvoorbeeld voor in palmolie en in dierlijke en zuivelvetten. Verder maakt het lichaam zelf palmitinezuur uit overtollige koolhydraten en eiwitten. Hoewel minder bekend, is een biochemisch proces genaamd ‘palmitoylatie’ belangrijk voor de gezondheid. Hierbij wordt palmitinezuur door het lichaam gebruikt voor stabiliseringsprocessen.

Myristinezuur in kokosolie en zuivel

De meeste mensen eten zeer weinig myristinezuur omdat het zich bevindt in twee vetten waarvan vaak gezegd wordt dat men die moet vermijden, namelijk kokosolie en zuivel. Myristinezuur is echter een zeer belangrijk vetzuur dat door het lichaam wordt gebruikt om vele soorten eiwitten te stabiliseren. Dit geldt ook voor de eiwitten die door het immuunsysteem worden gebruikt.
Deze functie wordt ‘myristoylatie’ genoemd en vindt plaats wanneer myristinezuur zich hecht aan een eiwit op een specifieke plaats waar ze een nuttige functie vervult (11, 12, 13).

Laurinezuur in palmpitolie en kokosolie

Laurinezuur heeft uiteenlopende functies. Het is een antimicrobieel vetzuur en heeft, net als myristine- en palmitinezuur, een stabiliserende functie wanneer het zich hecht aan bepaalde eiwitten. Stearinezuur is een verzadigd vet opgebouwd uit 18 koolstofatomen.
De hoofdbronnen zijn dierlijke algen, die ongeveer 20 tot 25 procent stearinezuur bevatten. Maar ook chocola, die ongeveer 35 procent stearinezuur bevat. In andere voedselbronnen komt het maar zo’n 1 tot 2 procent voor.

Fysiologische functies van verzadigde vetzuren

Dr. Philippe Legrand, van het Franse onderzoeksinstituut INRA (Rennes) bespreekt in een artikel (14) een aantal van de fysiologische functies van verzadigde vetzuren. Hieronder een korte samenvatting:
1. Boterzuur (C4:0) is betrokken bij de remming van de groei van tumoren, de inductie van apoptose, en het functioneren van cellen in het colon en het gladde spierweefsel.
2. Capronzuur (C6:0), caprylzuur (C8:0) en caprinezuur (C10:0) spelen een rol bij het handhaven van een gezond lichaamsgewicht, vermindering van de vetopslag, remming van de VLDL-secretie door vermindering van de apo B-synthese, en verlaging van het serumcholesterolgehalte.
3. Laurinezuur is mogelijk betrokken bij het tegengaan van virusinfecties.
4. Myristinezuur (C14:0) wordt snel geoxideerd, en ook geëlongeerd tot palmitinezuur (C16:0). Myristinezuur wordt slechts in geringe hoeveelheden ingebouwd in triglyceriden in VLDL. Het wordt niet geaccumuleerd.
5. Palmitinezuur wordt ingebouwd in triglyceriden en opgeslagen in de cellen. Het wordt in geringe mate geëlongeerd tot stearinezuur (C18:0) en gedesatureerd tot palmitoleïnezuur (C16:1). Stearinezuur wordt snel gedesatureerd tot oliezuur (C18:1).(23).
6. Een belangrijke fysiologische functie van myristinezuur is N-terminale myristoylatie van eiwitten, onder invloed van het enzym NMT (myristoyl-CoA:protein N-myristoyltransferase). Deze reactie kan een rol spelen bij de activering van eiwitten in het endoplasmatisch reticulum en de buitenste mitochondriale membraan.
7. In studies is vastgesteld dat myristinezuur via deze route van belang is voor de activering van de omzetting van C18:3 n-3 en C18:2 n-6 vetzuren in lange-keten vetzuren, en voor de activering van de synthese van sphingolipiden (15, 16). Deze verbindingen zijn belangrijk als structuurelementen van membranen, en als signaalstoffen bij de regulering van celdifferentiatie en de balans tussen proliferatie en apoptose.

Sphingolipiden; groep natuurlijke vetten

Sphingolipiden vormen een diverse groep natuurlijke vetten, die onder meer voorkomen in melk en zuivelproducten ei en vlees (17, 24).. Het sphingolipidengehalte van volle melk (18) bedraagt ongeveer 160 m mol/kg, dat van kaas 1300 m mol/kg en van boter 460 m mol/kg.

Sphingolipiden komen voor in vrijwel alle cellen. Over fysiologische functie van sphingolipiden komt steeds meer informatie beschikbaar. Naast hun reeds lang bekende rol als structuurelement van membranen blijkt dat ze ook betrokken zijn bij de signaaloverdracht binnen cellen.

Sphingolipiden spelen ook een rol bij de expressie van cytochroom P450, een familie van haem-eiwitten die betrokken zijn bij de oxidatieve detoxificatie van een groot aantal verbindingen. Denk daarbij aan zowel endogene (zoals steroïdhormonen) als exogene (waaronder geneesmiddelen, alcohol en carcinogene stoffen).

Na binding van interleukine-1b aan een cellulaire receptor wordt door diverse biochemische stappen sphingomyeline gehydrolyseerd en sphingosine-1-fosfaat gevormd, wat een remming geeft van de expressie van het cytochroom P450 enzym CYP 2C11. Merrill (19) beschrijft in een artikel de activering van ceramidase als respons van levercellen op interleukine-1b .

Gangliosiden en hun rol bij ontstekingen

Een onderzoek in Australië (20) levert aanwijzingen voor de mogelijkheid dat sphingolipiden ook betrokken zijn bij de beschermende werking van HDL tegen atherosclerose. In dit onderzoek werd aangetoond dat HDL de werking van sphingosine kinase remt.

Het vermogen van sphingolipiden om leverspecifieke vetstapeling (21) en bijbehorende bloedontstekingsmarkers te verlagen kan mogelijk bijdragen aan het bestrijden van het metabool syndroom. Sphingolipiden zouden mogelijk erg gunstig kunnen zijn voor zowel hart- en vaatziekten en diabetes gerelateerde risicofactoren. Verder onderzoek naar gunstige effecten van sphingolipiden op leververvetting en insulinegevoeligheid kan veel informatie opleveren.

Gangliosiden (complexe vetten) behoren tot de groep van de sphingolipiden. Onderzoek toont aan dat gangliosiden een rol spelen in de bescherming van de darm bij ontsteking, de lever en andere metabolische ziekten (22).

Commentaar NDN

Diverse onderzoekers concluderen dus, dat verzadigde vetzuren belangrijke fysiologische functies vervullen. Deze functies moeten voor alle individuele verzadigde vetzuren afzonderlijk worden bestudeerd.
Vetzuurprofielen in het bloed meten is iets meer wetenOm er voor te zorgen dat het lichaam over de juiste vetzuren beschikt, is het van belang de goede verhouding aan verzadigde en onverzadigde vetten binnen te krijgen. Maar wat is een goede verhouding? En is de verhouding voor iedereen hetzelfde? Om dit vast te stellen is nog veel onderzoek nodig. Maar met wat er nu over bekend is kan het advies over vettengebruik evenwichtiger worden en het strenge verbod op verzadigede vetten los gelaten worden.

De huidige voeding bevat in de regel te veel omega-6-vetten uit plantaardige oliën ten opzichte van de omega-3-vetten uit vissen, schelpdieren en lijnzaadolie. Het is gunstig als de verhouding tussen de hoeveelheid omega-6- en omega-3-vetten in de voeding ongeveer 2:1 is. De realiteit is dat velen te weinig omega-3-vetten eten zodat de verhouding tussen omega-6- en omega-3-vetten kan oplopen tot 15:1 tot 20:1

Zo’n verhouding met een overmaat aan omega-6-vetten veroorzaakt een ongewenste toename van de ontstekingsactiviteit in het lichaam. Voldoende inname van omega-3-vetten ondersteunt de balans en dus het behoud van een goede gezondheid.

Om een indruk te krijgen of u voldoende essentiële vetten binnen krijgt, is het meten van de diverse soorten vetten in het bloed aan te raden (aanvraag kan via arts en natuurdietist). Bij verschillende laboratorium kunt u een vetzuurbepaling laten doen door middel van een venapunctie. Het niveau van de diverse soorten vetzuren (vetzurenprofiel) wordt bepaald in het membraan van rode bloedcellen.

De bepalingen geven de (gemiddelde) status over een langere periode. De bloedbepalingen zijn dus geen momentopname zoals de bepaling in serum, die informatie geeft over de status op alleen het moment van bloedafname. Vetzuurprofielen meten is toch iets meer weten dan alleen maar vetten eten volgens richtlijnen op papier, samengesteld door gezondheidsraden die er wel eens naast zitten.
Zoals zo vaak in het leven gaat het altijd weer om de juiste balans. Een zoektocht die zich ook op scheikundig gebied voor doet.
Marijke de Waal Malefijt

Voedings- en laboratorium zelftesten

Laboratoriumtesten urine bloed ontlasting en speekseltesten Wij werken samen met de grote Duitse fabrikant van laboratoriumtesten Medivere. Medivere levert laboratorium diagnostische diensten waarbij de conventionele geneeskunde als ook aanvullende (complementaire) medische diagnostica en therapieën optimaal worden gecombineerd.

Op onze pagina over voedings- en laboratoriumtesten kunt u alle hierbovengenoemde Medivere testen bekijken en zelf bestellen.

Literatuur en links:

1. Association of Dietary, Circulating, and Supplement Fatty Acids With Coronary Risk: A Systematic Review and Meta-analysis.Rajiv Chowdhury, MD, PhD; Samantha Warnakula, MPhil*; Setor Kunutsor, MD, MSt*; Francesca Crowe, PhD; Heather A. Ward, PhD; Laura Johnson, PhD; Oscar H. Franco, MD, PhD; Adam S. Butterworth, PhD; Nita G. Forouhi, MRCP, PhD; Simon G. Thompson, FMedSci; Kay-Tee Khaw, FMedSci; Dariush Mozaffarian, MD, DrPH; John Danesh, FRCP*; and Emanuele Di Angelantonio, MD, PhD* Ann Intern Med. 2014;160(6):398-406-406. doi:10.7326/M13-1788.

2. Meta-analysis of prospective cohort studies evaluating the association of saturated fat with cardiovascular disease 1–5. Patty W Siri-Tarino, Qi Sun, Frank B Hu, and Ronald M Krauss. The American Journal of clinical nutrition, april 6, 2014; http://ajcn.nutrition.org/content/91/3/535.full.pdf+html

3. Werkprogramma 2013 Gezondheidsraad, http://www.gezondheidsraad.nl/sites/default/files/Werkprogramma2013_A03.pdf

4. Scientific Opinion on Dietary Reference Values for fats, including saturated fatty acids, polyunsaturated fatty acids, monounsaturated fatty acids, trans fatty acids, and cholesterol EFSA Journal 2010; 8(3):1461 [107 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.146
http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/1461.htm

5. Dietary Reference Intakes for Energy, Carbohydrate, Fiber, Fat, Fatty Acids, Cholesterol, Protein, and Amino Acids (Macronutrients)
(2005); http://books.nap.edu/openbook.php?record_id=10490&page=422

6. Cowie MR, Cure S, [..], Tavazzi L. Cost-effectiveness of highly purified omega-3 polyunsaturated fatty acid ethyl esters in the treatment of chronic heart failure: results of Markov modelling in a UK setting. Eur J Heart Fail 2011; 13(6):681-9

7. Wu JH, Lemaitre RN, [..], Mozaffarian D. Association of plasma phospholipid long-chain omega-3 Fatty acids with incident atrial fibrillation in older adults: the cardiovascular health study. Circulation. 2012; 125(9):1084-93.

8. Gajos G, Zalewski J et al. Reduced thrombin formation and altered fibrin clot properties induced by polyunsaturated omega-3 fatty acids on top of dual anti-platelet therapy in patients under¬going per¬cutaneous coronary inter¬vention (OMEGA-PCI Clot). Arterioscler Thromb Vasc Biol 2011;31;1696-1702

9. Ramsden, C.E., et al., Use of dietary linoleic acid for secondary prevention of coronary heart disease and death: evaluation of recovered data from the Sydney Diet Heart Study and updated meta-analysis. Bmj, 2013. 346: p. e8707.

10. Turner N et al. Enhancement of Muscle Mitochondrial Oxidative Capacity and Alterations in Insulin Action Are Lipid Species Dependent: Potent Tissue-Specific Effects of Medium-Chain Fatty Acids. Diabetes, November 2009 58:2547-2554.

11. Farazi TA, Waksman G, Gordon JI: The biology and enzymology of protein N-myristoylation.J Biol Chem. 2001 Oct 26;276(43):39501-4, PMID 11527981.

12. Podell S, Gribskovi M: “Predicting N-terminal myristoylation sites in plant proteins”, BMC Genomics 2004, 5: 37.

13. Zha J, Weiler S, Oh KJ, Wei MC, Korsmeyer SJ: Posttranslational N-myristoylation of BID as a molecular switch for targeting mitochondria and apoptosis, Science 2000, 290: 1761-1765.

14. V.Rioux, P.Legrand (2007) Saturated fatty acids: simple molecular structures with complex cellular functions. Curr.Opin.Clin.Nutr.Metab.Care 10,752-758

15. S.Jan, H.Guillou, S.D’Andrea et al (2004) Myristic acid increases delta6-desaturase activity in cultured rat hepatocytes. Reprod.Nutr.Dev. 44,131-140

16. E.Beauchamp, D.Goenaga, J.LeBloc’h et al (2007) Myristic acid increases the activity of dihydroceramide delta4-desaturase 1 through its N-terminal myristoylation. Biochimie 89,1553-1561

17. H.Vesper, E.-M.Schmelz, M.N.Nikolova-Karakashian, D.L.Dillehay, D.V.Lynch, A.H.Merrill (1999) Sphingolipids in food and the emerging importance of sphingolipids to nutrition. J.Nutr. 129,1239-1250

18. R.G.Jensen (1995) Handbook of milk composition. Academic Press, New York

19. A.H.Merrill, M.Nikolova-Karakashian, E.M.Schmelz, E.T.Morgan, J.Stewart (1999) Regulation of cytochrome P450 expression by sphingolipids. Chem.Phys.Lip. 102,131-139

20. P.Xia, M.A.Vadas, K.A.Rye, P.J.Barter, J.R.Gamble (1999) High density lipoproteins (HDL) interrupt the sphingosine kinase signaling pathway – A possible mechanism for protection against atherosclerosis by HDL. J.Biol.Chem. 274,33143-33147

21. T.Kobayashi, T.Shimizugawa, T.Osakabe, S.Watanabe, H.Okuyama (1997) A long-term feeding of sphingolipids affected the levels of plasma cholesterol and hepatic triacylglycerol but not tissue phospholipids and sphingolipids. Nutr.Res. 17,111-114

22. Gravel RA, Kaback MM, Proia RL, Sandhoff K, Suzuki K, Suzuki K. The Gm2 gangliosidoses. In:Scriver CR, Beaudet AL, Sly WS, Valle D, eds.The Metabolic and Molecular Bases of Inherited Disease. 2001; 8 edtion: 3827-3877. http://www.rug.nl/research/pediatrics/liverdigestivemetabolicdiseases/enzyme/b-hexosaminidase-a

23. VoedingsMagazine nummer 4, juli 2009, 22e jaargang

24. VoedingsMagazine nummer 3, juni 2000, 13e jaargang

Animatie G-proteïnereceptors: http://highered.mcgraw-hill.com/sites/0072507470/student_view0/chapter17/animation__membrane-bound_receptors_that_activate_g_proteins.html

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen