skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Opgezette buik door diverse gassoorten

Het gas in de darm bestaat uit stikstof, zuurstof, koolzuurgas, waterstof en methaan. De samenstelling en de geur van darmgas heeft onder andere te maken met wat je eet en hoe je verteert en de reactie daarop van je darmmicrobioom.

Veel mensen maken zich zorgen dat ze teveel gasvorming hebben in hun buik, omdat ze denken dat hun maag-darmkanaal niet goed functioneert. Gasvorming is op zichzelf niet schadelijk. In gezelschap niet wenselijk omdat sommige zich schamen, maar studies wijzen uit dat een doorsnee mens 0.6-1.8L gas per dag produceert.

Ieder mens laat winden en dat is dus heel normaal. Dit is nodig om darmgas kwijt te raken. Dagelijks laat een mens gemiddeld zo’n tien winden. Bij ieder mens is er een hoeveelheid gas in het maagdarmkanaal aanwezig.

Overtollig gas kan zorgen voor een opgezette buik en extreme winderigheid. De laatste jaren is er een nieuwe soort extreme winderigheid bij gekomen waaronder toxische gasvorming bij SIBO (small intestinal bacterial overgrowth) en SIFO (small intestinal fungul overgrowth) waar men heel ziek van wordt.

Soorten gas

Darmgas komt onder andere door het inslikken van lucht in het maagdarmkanaal. Elke keer als je slikt gaat er ook een hoeveelheid lucht mee naar binnen. Dat kan weinig of veel zijn. De hoeveelheid lucht inslikken kan oplopen bij spanning, stress, door roken of een slecht (kunst)gebit. Ook bij snel praten, snel eten en drinken zonder goed te kauwen, slik je ongemerkt extra lucht mee naar binnen. Dit is ook het geval bij mensen die hyperventileren en bij longemfyseem.

Ook de darmflora veroorzaakt gassen. De darmflora is een verzamelnaam voor alle bacteriën die zich in de darm bevinden. Onverteerde voedselresten die in de dikke darm terechtkomen, worden door de darmflora bewerkt. Bij dit proces komen ook veel gassen vrij.

Het gas in de darm bestaat uit stikstof, zuurstof, koolzuurgas, waterstof en methaan. Dit zijn allemaal reukloze gassen. Het stinken van winden heeft te maken met de hoeveelheid geurende, ‘stinkende gassen’. Dit zijn vaak zwavelverbindingen die vrijkomen bij de afbraak van bepaalde eiwitten. De samenstelling en de geur van darmgas heeft onder andere te maken met wat je eet en hoe je verteert en de reactie daarop van de darmflora.

Andere oorzaken van overtollige gasvorming kunnen zijn:

  1. Het eten en drinken van producten die veel lucht bevatten (bijvoorbeeld frisdrank, bier en brood).
  2. Veel kauwgum eten.
  3. Het eten van bepaalde FODMAP voedingsmiddelen zoals peulvruchten, uien, koolsoorten, fruit en lightproducten.
  4. Fructose in fruit en vruchtensappen en sorbitol (een zoetstof).
  5. Het gebruik van medicijnen met een laxerende werking.
  6. Slechte vertering door maagzuurtekort, minder goed functionerende pancreasenzymen, biliaire insufficiëntie (te weinig galstroom).
  7. Chronische verstopping door een ongezonde voeding.

Bij verstopping is vezelrijke voeding (diverse soorten vezels) belangrijk, maar door het gebruik van extra vezels kan de gasvorming ook tijdelijk weer toenemen. Belangrijk is dan ook om het aantal vezels geleidelijk uit te breiden. Drink daarbij minimaal 2 liter per dag.

Vezels die niet goed verteerd kunnen worden en gaan fermenteren geven methaangassen en onaangename buikpijn.

Bij mensen die lactose-intolerant zijn, wordt het melksuiker (lactose) uit melk niet afgebroken en opgenomen in de dunne darm. Het melksuiker komt onveranderd in de dikke darm en wordt daar vergist, met gasvorming als gevolg. Ook bij andere darmziekten zoals onder andere glutenintolerantie (coeliakie), de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa kan extra gasvorming optreden.
Dit kan ook bij fructose- intolerantie/fructose-malabsorptie het geval zijn en dan heeft men extreme gasvorming door het niet goed kunnen verwerken van fructose.

Winderigheid is vaak niet de enige klacht. Meestal is er ook sprake van rommelingen in de buik, een opgeblazen gevoel (soms zwelt de buik in korte tijd op ter grote van een 9 maanden uitziende zwangere buik) en krampen. Om overtollig darmgas kwijt te raken wordt soms wel 30 á 40 keer per dag een wind gelaten. Anderen proberen het kwijt te raken door boeren. De klachten worden erger als de winden en boeren worden ingehouden.

Als de winderigheid klachten geeft, dan moet deze behandeld worden. Lang niet altijd wordt duidelijk wat de oorzaak is van extra gasvorming. Onderzoek(en) kan daar meer duidelijkheid over geven.

Opgezette buik door andere oorzaken

Indien er sprake is van een achterliggende aandoening dient deze behandeld te worden. Een nacontrole na behandeling is altijd aan te raden. Sommige infecties (bacteriën, gisten/schimmels, parasieten) kunnen zeer hardnekkig zijn en soms moeilijk te behandelen.

Het start met goed onderzoek verrichten (ontlasting, urine) naar:
Overconsumptie zetmeel                       Zetmeelgehalte ontlasting/ gisting
Overconsumptie eiwitten                       Eiwitgehalte ontlasting/rotting
Overconsumptie vetten                          Vetgehalte ontlasting
Candida-overgroei                                   Kweek candida-soorten
Slechte vertering                                      Vetgehalte, eiwitgehalte van de ontlasting is te hoog
Alvleesklieraandoeningen                      Pancreas elastase
Galblaas aandoeningen                          Galzouten
Afwijkende darmflora                              Kweek darmflora
Glutenintolerantie                                     t-Transglutaminase, Anti-gliadine
Giardia lamblia,                                         Cryptosporidium spp PCR
Dientamoeba fragilis,                               PCR
Blastocystis hominis                                 PCR
Histamine gehalte                                     Histamine
Ziekte van Crohn, colitis                          Calprotectine, lactoferrine
Darmontstekingen                                   TNF-alfa, alfa trypsine
Darmimmuniteit                                        Secretorisch IgA, Beta-defensine2

Tips voor onderzoeken;

Waterstof- en/of methaangassen

Bij fermentatie van zetmeel komen er stoffen vrij die de bewegingen van de dikke darm stimuleren. Drie groepen van darmmicroben, methanogenen, acetogens en sulfaat-reducerende bacteriën, produceren verschillende soorten gassen: methaan, waterstof (H2) en waterstofsulfide(H2S).

Darmbacteriën maken tijdens de afbraak van suikers (fructose, lactulose en glucose) waterstofgas. Dit waterstofgas wordt vanuit de darm opgenomen in het bloed, passeert vervolgens de longen en wordt dan uitgeademd. Als je darmen de suikers goed kunnen verteren, wordt er weinig waterstofgas geproduceerd. Je ademt dan ook weinig tot geen waterstofgas uit. Als je darmen moeite hebben met de afbraak van suikers, wordt er veel waterstofgas geproduceerd.

Dit kan samen gaan met klachten als buikkrampen en diarree en je ademt dan ook meer waterstofgas uit. Met een H2-ademtestapparaat kan men meten hoeveel waterstofgas je uitademt. Zo is te onderzoeken of de suikers (lactose, fructose) in je darmen goed worden verteerd. Daarnaast is er ook nog een fructose-, sorbitolademtest. Allemaal suikers die bij slechte verwerking heel veel winderigheid kunnen geven.

Tussen de 30 en 62% van de gezonde mensen produceert methaan. Methaan wordt uitsluitend geproduceerd door vergisting van koolhydraten door de anaërobe darmflora bacteriesoorten (methanobacteria, methanobrevibacter spp.). Methaangas blijkt een effect te hebben op de darmwerking. De darm bevat cellulose-afbrekende micro-organismen, die zijn betrokken bij de afbraak van de celwand van planten. Deze bacteriën worden vooral aangetroffen in de feces van mensen die methaan vormen. Analyse van het methaangehalte van de adem kan dienen als een indirecte maat van methaanproductie.

Fermentatie

Koolhydraten in het colon worden dus door bacteriële fermentatie omgezet in methaan, waterstofgas en de korteketenvetzuren acetaat, propionaat en butyraat. Terwijl overmaat aan methaan- en waterstofgas buikkrampen en flatulentie veroorzaken, stimuleren korteketenvetzuren de opname van natrium en water in het colon, wat de ontlasting brijachtig maakt.

Butyraat (boterzuur) is een fermentatieproduct van anaerobe bacteriën en het komt van nature voor in melk, roomboter en kaas. Ook bepaalde bacteriën in het colon produceren butyraat, naast nog andere korte-keten vetzuren zoals propionaat en acetaat. Dit gebeurt door de fermentatie van voedingsvezels. Over het algemeen wordt bij butyraat met name gedacht aan de functies in de darm; zo is het een van de belangrijkste energiebronnen voor darmepitheelcellen.

Daarnaast is butyraat een belangrijke promotor van regulatoire T-cellen in de darm, waardoor cytokinen IL-10 wordt verhoogd. IL-10 zorgt voor een positieve balans in de Th1-Th2 immuunrespons en heeft een anti-inflammatoir effect. Verder beïnvloedt butyraat het immuunsysteem, de ontstekingsreactie, heeft het antimicrobiële eigenschappen en speelt het een rol bij de ervaring van pijn in de darmen. Ondanks dat het werkingsmechanisme nog niet volledig bekend is, is al wel duidelijk dat butyraat deze effecten bewerkstelligt door de genexpressie te moduleren.[2]

Overmatige gasvorming van waterstof en methaan

Bij een overgroei van waterstofproducerende (bijproduct bij koolhydraatfermentatie) bacteriën in je darmen krijg je diarree. Deze bacteriesoort produceert ook toxinen die irritatie geven en de TRPV1-receptoren in je darmen verhogen, de osmolariteit en de peristaltiek aanzetten en pijn veroorzaken.
De Transient Receptor Potential V1 (TRPV1), of ook wel de vanilloid receptor TRPV1 genoemd, komt voor op de pijnzenuwen en speelt een rol bij de verwerking van pijnprikkels. Grote hoeveelheden histamine zorgen ook voor een overstimulatie van TRPV1.

De hoeveelheid methaangas in de adem zegt iets over de bacteriecultuur in de darmen. Met name de bacterie methanobrevibacter smithii (te testen met de darmmicrobioom-ontlastingstest) produceert veel methaangas. Een overmatige methaangasproductie geeft obstipatie.
De meeste methaangasproducerende bacteriën zijn resistent tegen de meeste antibiotica, uitzonderingen zijn: puromycine, pseudomonzuur en neomycine en rifaximine [9].

De ene mens is gevoeliger voor methaanproductie dan de andere. Vooral mensen met het zogenaamde enterotype 1. Met entero- typeringen probeert men grip te krijgen op de aanbeveling van het juiste dieet.

Enterotypen

De darmflora vormt clusters die zo kenmerkend zijn, dat men een indeling kan maken in drie groepen. Zo worden drie darmfloratypen herkent, de enterotypen 1,2 en 3 (te testen met de darmmicrobioomtest). Deze drie groepen vormen samen 80% van de darmflora. Vaak is slechts een soort dominant, zo kan je de mens indelen op basis van het enterotype dat in principe het hele leven aanwezig blijft.

Enterotype 1 hangt samen met hoge aantallen Bacteroïdes-soorten. Winderigheid en verstopping komen bij dit type vaker voor omdat er meer methaangas wordt geproduceerd.
Enterotype 2 komt vaker voor bij hoge aantallen Prevotella-soorten. Deze bacteriën kunnen de slijmlaag van de darmwand aantasten. Het eten van granen doet de aantallen Prevotella toenemen.
Bij gezonde mensen komt enterotype 3 het meest voor. Dit enterotype wordt gevormd door Ruminococcus. Dit type bacteriën verteert plantmaterialen.

De Prevotella copri is betrokken bij de ontwikkeling van reumatoïde artritis (RA). Uit onderzoeken bleek dat RA-patiënten bij manifestatie van de ziekte bijzonder vaak hoge aantallen P. copri vertoonden. In experimenten kon aangetoond worden dat kolonisatie met P. copri niet het gevolg, maar de oorzaak van systemische ontstekingen en auto-immuunziekten kan zijn[5-8].

Het ene enterotype reageert anders op voedsel dan het ander. Op langere termijn zijn de typen te beïnvloeden. De aantallen bacteriën behorend bij entertype 1 nemen af wanneer zetmeel en vet wordt weggelaten. De aantallen bacteriën van het enterotype 2 nemen ook af wanneer granen worden geëlimineerd. Enterotype 3 heeft veel groenten nodig. Bij een tekort aan groentevezels kunnen de mucine-reducerende bacteriën de slijmwand afbreken als voeding, waardoor de weerstand van de slijmlaag afneemt en er klachten ontstaan.

Rottingsbacteriën

Enterobacteriaceae behoren tot de groep van rottingsbacteriën. Tot deze groep behoren o.a. Escheria. coli, Citrobacter, Enterobacter, Hafnia, Klebsiella, Morganella, Proteus, Pseudomonas, Serratia en Yersinia. Omdat ze in het milieu wijdverspreid aanwezig zijn, worden zij ook bij mensen met een gezonde darm, via de voeding opgenomen en in de ontlasting teruggevonden.

Een toename van Escheria coli bijvoorbeeld kan bij een verhoogde toevoer van koolhydraten leiden tot afgifte van grote hoeveelheden gasvormige metabolieten (oorzaken voor meteorisme en flatulentie). Vandaar dat het FODMAP-dieet hier positief aan kan bijdragen.

Een overmatige toename van Enterobacteriaceae moet echter worden tegen gegaan. Kiemtallen boven de 10^5 CFU/g ontlasting kunnen duiden op een verminderde kolonisatieresistentie (niet gezonde darmflora). Enterobacteriaceae produceren endotoxinen, enterotoxines en cytotoxinen die inflammatoire intestinale slijmvliesirritaties kunnen veroorzaken.

Een verhoogde detectie van bacteriën van het geslacht Enterobacteriaceae wordt vaak gezien bij onvoldoende biologische groenten- en fruitgebruik, maar ook bij constipatie en door slecht kauwen.

Ook een ontoereikende activiteit van de darm-geassocieerd immuunsysteem kan de oorzaak zijn van een overgroei van Enterobacteriaceae. Deze bevindingen ziet men ook bij een ontoereikende vorming van secretorisch IgA (mucosale afweermechanisme van de darmen), ongezonde voedingswijze of de aanwezigheid van spijverteringsstoornissen.

Door de slechte afbraak van eiwitten ontstaan toxisch agressieve substraten, die bij hoge kiemtallen, inflammatoire mucosale veranderingen kunnen geven. Enterobacteriaceae kunnen door de productie van alkaliserende metabolieten de pH-waarde in de darmen verhogen, waardoor de antagonistische verzurende flora steeds meer in haar groei wordt geremd en verdrongen.

Afhankelijk van het eiwitaanbod kan Escheria. coli ook proteolytische activiteiten ontplooien, wat leidt tot een toename van rottingsmetabolieten en toename van histaminevorming.
Een ongezonde darmflora kan verantwoordelijk zijn voor de vorming van klinisch relevante histamineconcentraties in het darmlumen. Bij proteolytische afbraakprocessen veranderen de bacteriën uit voedingsmiddelen of eventueel ontstekingseiwit de aanwezige histidine door de-carboxylering in histamine.

Afhankelijk van de ontlastingsuitslagen kan er dus nog veel meer gesleuteld worden aan iemands dieet dan alleen door een FODMAP-dieet en/of antihistaminica te nemen [3].

Giftige gassen (waterstofsulfide)

Het naar rotte eieren ruikende waterstofsulfide is één van de stoffen die ontstaan wanneer bacteriën voedsel verteren in de darmen. In grote hoeveelheden is waterstofsulfide giftig maar in kleine hoeveelheden beschermt het cellen tegen ziekte.

Een kleine hoeveelheid H2S draagt bij aan het voorkomen van veel gezondheidsklachten. De universiteit van Exeter ontdekte namelijk dat lichaamscellen zelf minuscule hoeveelheden waterstofsulfide aanmaken wanneer zij door ziektekiemen worden aangevallen. Door het toevoegen van minieme hoeveelheden H2S aan lichaamscellen blijken die cellen veel makkelijker te overleven [4].

Bij een slechte eiwitvertering ontstaat rotting. Tijdens het rottingsproces – onder invloed van bacteriën – komen grote hoeveelheden waterstofsulfide (H2S), een sterk ruikend giftig gas, en ammonia (NH3) vrij.
Een rottingsflora (controle kan via een indicaan/skatol test in de urine; organische dysbiose-test) geeft ook nog kans op een verhoogde histamine. Suppletie van arabinogalactanen (vezeltype/glyconutrient) verminderen de vorming en opname van ammoniak in het maagdarmkanaal.

Zwavelwaterstof (ook waterstofsulfide genoemd; H2S) is een toxische metaboliet, die in hoge concentraties tot beschadiging van het darmepitheel leidt en daarmee het ontstaan van cel-atypie veroorzaakt. H2S wordt in de dikke darm door sulfaat-reducerende bacteriën geproduceerd, vooral door Bilophila wadsworthii, en Desulfovibrio piger.

Vlees is een bron van zwavel, die de groei van sulfaatreducerende bacteriën (desulfobacter spp, desulfovibrio spp.desulfuromonas spp.bilophila wadsworthia) bevordert. De carcinogeniteit van zwavelwaterstof is gebaseerd op de vorming van vrije radicalen (oxidatieve stress) en op een up-regulatie van cyclooxygenase-2-activiteit in de epitheelcellen. Darmbacteriën zijn ook in staat om nitrosamines (= N-nitrosoverbindingen) te produceren. De hoeveelheid nitrosamines stijgt na het eten van eiwitrijke diëten, vooral na het eten van vlees. Het koken, grillen en bakken van vlees kan heterocyclische amines (HCA) veroorzaken met een hoog carcinogeen potentieel.

Chronische darmmicrobioomafwijkingen

Bij chronische darmaandoeningen (met toxische gasvorming) is er een verandering in de productie van peptiden, dit kan o.a. leiden tot depressie. De symptomen, de depressie en het gevoel van stress, hebben dus ook een medische oorzaak. Wetenschappers hebben overtuigend bewijs geleverd dat de darmwand en gezonde darmbacteriën signalen doorgeven aan de hersenen via de nervus vagus.

Deze signalen beïnvloeden het gedrag en de emoties van de mens. De afwijkende darmflora, chronische ontstekingen en de reactie van gluten op de darm, veroorzaken niet alleen diarree of constipatie, maar zorgen ook voor een verminderd concentratievermogen, een gevoel alsof je hoofd gevuld is met watten, of depressiviteit.

Daarnaast kan een scala van klachten, zoals hoofdpijn, vermoeidheid, spier- en gewrichtspijn, slapeloosheid en hartkloppingen, zich manifesteren. Deze symptomen kunnen mede worden verklaard door de productie van toxische bijproducten van schadelijke darmbacteriën, die niet worden geabsorbeerd in de darm.

Inflammatoire darmziekten: cytokinen

Verschillende bacteriën (met name bij overmatige methaan en H2S-gassen) van het darmkanaal kunnen door verschillende mechanismes ontstekingsprocessen in de darm veroorzaken, bevorderen of remmen. Deze mechanismen berusten vooral op de productie van metabolieten en toxines, die een direct ontstekingsbevorderend effect of een indirect effect door beïnvloeding van de productie van verschillende pro- of anti-inflammatoire cytokinen kunnen hebben.

Een bewezen ontstekingsremmend effect hebben de mucosaprotectieve bacteriën akkermansia muciniphila en faecalibacterium prausnitzii. Detectie van een lage relatieve frequentie van deze bacteriën geeft een verhoogd risico op het ontstaan van een ontsteking in de darm aan.

Andere bacteriën, die een ontstekingsremmend effect hebben, zijn roseburia spp., ruminococcus spp., odoribacter spp., bifidobacterium spp. en streptococcus thermophilus.
Bacteriën van de darmflora, die bij een verhoogde relatieve frequentie een ontstekingsbevorderende invloed in de darm hebben, zijn fusobacterium nucleatum, escherichia coli, desulfovibrio piger, methanobrevibacter smithii, verschillene bacteroides-species zoals bacteroides thetaiotaomicron en bacteroides vulgatus, en de stam bacteroidetes.
Een verminderde bacteriële diversiteit kan als bijkomende factor ontstekingsprocessen in de darm bevorderen.

Clostridia: pathogene en apathogene soorten

Dit zijn obligaat anaerobe bacteriën die sporen vormen. Tot het geslacht van de Clostridia behoren pathogene, maar ook apathogene en nuttige kiemen, die immuunmodulerend werken en tot een toename van IL-10 leiden. Tot de pathogene bacteriën behoren vooral Clostridium botulinum, Clostridium tetani of Clostridium difficile.

Gelet op hun energiebron kunnen Clostridia ingedeeld worden in twee groepen, de proteolytische (levend van eiwit) en saccharolytische (levend van koolhydraten) soorten.
Proteolytische Clostridia fermenteren eiwitten en aminozuren (rottingsdyspepsie)
Saccharolytische soorten Clostridia daarentegen fermenteren koolhydraten, zetmeel of voedingsvezels, waarbij butyraat, aceton, butanol, CO2 en waterstof ontstaat (gistingsdyspepsie).
Zijn de proteolytische soorten dominant, dan wijst dit vaak op een zogenaamde ‘rottingsdyspepsie’, die gepaard gaat met een verhoogde pH-waarde in de ontlasting en stinkende winden.

Voldoet de pH-waarde, ondanks de verhoogde aantallen proteolytische soorten Clostridia, aan de norm of is hij verlaagd, dan ligt dat vaak aan een versnelde darmpassage. Hoge aantallen Clostridia kunnen ook met een ‘gistings-dyspepsie’ gepaard gaan. Dan gaat het echter om saccharolytische soorten.

Sommige Clostridia-groepen, zogenaamde Cluster Clostridia, bevatten toxineproducerende soorten, zoals bijvoorbeeld C. perfringens, C. sporogenes of C. histolyticum. Cluster Clostridia worden vaak aangetroffen bij autismespectrumstoornissen en zijn vaak niet alleen de oorzaak van autisme-geassocieerde intestinale, maar dikwijls ook van extra-intestinale klachten.

Bacteriënovergroei; minder serotonine en melatonine

Bepaalde schadelijke darmbacteriën, zoals de E. coli, Proteus vulgaris en bacteroïden produceren tryptofanase, een enzym dat tryptofaan afbreekt. Hierdoor is er minder tryptofaan beschikbaar en kunnen er tekorten ontstaan aan serotonine en melatonine. Een verlaagd serotonine kan ook een rol spelen bij het een gespannen, pijnlijke en opgezette buik.

In het maagdarmkanaal (door enterochromaffinecellen) geproduceerde serotonine speelt een rol bij de afgifte van spijsverteringssappen, de darmperistaltiek (bij obstipatie vormen zich vaak toxische gassen) en gevoelswaarneming.

Een serotoninetekort is in verband gebracht met diverse klachten en aandoeningen waaronder depressie, paniekaanvallen, gebrek aan libido, (eet)verslavingen, obsessief gedrag, (auto)agressie, verstoorde temperatuurregulatie, verminderde pijntolerantie, slaapproblemen en maagdarmklachten. Verlaging van de serotoninestatus kan onder meer het gevolg zijn van stress, een verhoogde cortisolspiegel, insulineresistentie en een tekort aan bepaalde voedingsstoffen (zoals vitamine B6, magnesium en tryptofaan).

Ter bevordering van de serotonine- en melatoninesynthese is 5-HTP suppletie effectief in een veel lagere dosis dan L-tryptofaan suppletie (ongeveer 10 keer lagere dosis). Naast het verhogen van de serotonine- en melatoninesynthese heeft 5-HTP ook invloed op andere neurotransmittersystemen en (signaal)moleculen (zoals dopamine, noradrenaline, adrenaline, BDNF (brain-derived neurotrophic factor) en bèta-endorfine).
Soms kan dit helpen bij meer ontspanning in de buik waardoor ook gassen makkelijker kunnen ontsnappen (en er dus ook minder spanning staat op de buik).

  Marijke de Waal Malefijt

Literatuur:
[1] https://www.badgut.org/information-centre/a-z-digestive-topics/intestinal-gas/
[2] Roberto Berni Canani, Margherita Di Costanzo, Ludovica Leone, Monica Pedata, Rosaria Meli, Antonio Calignano. Potential beneficial effects of butyrate in intestinal and extraintestinal diseases. World J Gastroenterol (2011); 17(12): 1519-1528.
[3] https://fixyourgut.com/sibo-methane-or-hydrogen-dominant-what-is-the-difference/
[4] http://www.exeter.ac.uk/news/research/title_393168_en.html
[5] Arthritis Rheumatol. 2016 Nov; 68(11): 2565–2567.Published online 2016 Oct 27. doi: 10.1002/art.39807
Editorial: Can Prevotella copri Be a Causative Pathobiont in Rheumatoid Arthritis?
Donghyun Kim and Wan‐Uk https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5129594/
[6] Arthritis Rheumatol. 2017 May;69(5):964-975. doi: 10.1002/art.40003. Epub 2017 Apr 7.
Evidence of the Immune Relevance of Prevotella copri, a Gut Microbe, in Patients With Rheumatoid Arthritis.
Pianta A1, Arvikar S1, Strle K1, Drouin EE1, Wang Q2, Costello CE2, Steere AC1. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27863183
[7] Curr Rheumatol Rep. 2016 Oct;18(10):62. doi: 10.1007/s11926-016-0614-8.
The Microbiome: a Revolution in Treatment for Rheumatic Diseases?
Rosenbaum JT1,2,3, Asquith MJ4. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27641915
[8] Clin Immunol. 2016 Sep;170:70-9. doi: 10.1016/j.clim.2016.07.026. Epub 2016 Aug 2.
The human microbiome in rheumatic autoimmune diseases: A comprehensive review.
Coit P1, Sawalha AH2. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/27493014
[9] Am J Gastroenterol Suppl (2012) 1:28–33; doi:10.1038/ajgsup.2012.6
Methanogens in Human Health and Disease
Mark Pimentel MD1, Robert P Gunsalus PhD2, Satish SC Rao MD, PhD3 and Husen Zhang PhD4
http://www.nature.com/ajgsup/journal/v1/n1/full/ajgsup20126a.html?foxtrotcallback=true
[10] Moldofsky H et al, Plasma tryptophan and muskulosketal pain in non articular rheumatism. Pain 1978 Jun;5(1):65-71
[11] Demoss RD et al, Tryptophanase in Diverse Bacterial Species. Journal of Bacteriology 1969;98:161-171.
Wikner j et al, Fibromyalgia, a syndrome associated with decreased nocturnal melatonin secretion. Clin Endocrinol (Oxf),1998 aug 49(2):179-83.