skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Met de huidige wetenschappelijke kennis is de kijk op vetten steeds genuanceerder geworden. Dit geldt ook voor het advies dat de consument dagelijks te horen kreeg namelijk: “verzadigde vetten zijn schadelijk voor uw hart en bloedvaten”.

Effect anders dan verwacht

Onlangs hebben Amerikaanse onderzoekers van Harvard, de universiteit van California en het Children’s Hospital Oakland Research Institute alle prospectieve cohortstudies (onderzoek dat een groep mensen volgt in de tijd en daarbij een van te voren vastgesteld mogelijk effect bekijkt) die de relatie tussen verzadigde vetzuren en hart- en vaatziekten beschreven, in een meta-analyse (een overkoepelend analyse van verschillende reeds uitgevoerde onderzoeken die leidt tot een mogelijk nieuwe conclusie) samengevat.

Deze meta-analyse laat zien dat er geen duidelijk verband is tussen het eten van verzadigde vetten en een verhoogd risico op hart- en vaatziekten in het algemeen of coronaire ziekten in het bijzonder. Een recente meta-analyse door Skeaf en Miller (in opdracht van de FAO en WHO) sloot hierop aan en liet zien dat het niet uitmaakte of mensen een dieet gebruikten met een lage inname van verzadigd vet (7-11%) of een hoge inname (14-18%). Het risico op het krijgen van of het overlijden aan een coronaire hartziekten was in beiden gevallen gelijk.

Koolhydraten verhogen risico

Diverse meta-analyses laten zien dat het vervangen van meervoudig onverzadigde vetten een significante, maar wel kleine bijdrage levert aan het verminderen van het risico op hart- en vaatziekten. Het vervangen van verzadigd vet door koolhydraten laat echter juist wel een verhoging zien van het risico op hart- en vaatziekten. Micha en Mozaffarian concluderen dat het voedingsadvies gericht moet zijn op meer inname van omega 3 verzuren, groenten, fruit en het verlagen van transvet en zout.

Opnieuw laten recente onderzoeken zien hoe gecompliceerd voedingsonderzoek is. Niet alleen zijn er diverse soorten van vetzuurketens, maar het lichaam verwerkt alle vetzuren op een andere manier. Daarnaast bevinden deze vetzuurketens zich in diverse soorten voedingsmiddelen waar ze synergetisch samen werken met vitaminen, mineralen en ander onbekende bioactieve stoffen.

Vet geeft betere opname van in vet oplosbare vitaminen

Vet speelt ook nog een bijzonder belangrijke rol bij het vervoer van in vet oplosbare vitaminen en in vet oplosbare bioactieve stoffen. Als de voeding onvoldoende vet bevat, kunnen vitaminen waaronder vitamine A, D, E en K, niet goed worden opgenomen. Zou de natuur ‘toevallig’ slimmer zijn dan wetenschappers en bepaalde vetzuren koppelen aan bepaalde aminozuren en nutriënten (vitaminen en mineralen) zodat het lichaam deze ‘cocktail’ goed kan verwerken?

Zou bijvoorbeeld biologisch vlees (carnitine, zink) klaargemaakt met een vetarme kooktechniek (bijvoorbeeld Römertopf) in combinatie met gestoomde biologische groenten (bètacarotonoiden) met een klontje roomboter (laurinezuur) en volkoren rijst met koud geperste walnootolie (omega 3) iets anders doen dan een boterham met een fabrieksmatig ontwikkelde margarine voor ons hart- en vaatziekten, obesitas en diabetes?

Laten we nog even de in vet oplosbare vitaminen A, D en E onder de loep nemen, want ook daar blijkt de werkelijkheid in de voeding ingewikkelder dan een pilletje of een speciale boter.

In vet oplosbare vitaminen

Sommige vitamines bestaan uit één element, andere vitamines uit meerdere elementen. Vitamine E bestaat uit acht verschillende elementen: vier tocoferolen en vier tocotriënolen. Van de acht elementen uit deze vitamine E familie zijn er enkele met vergelijkbare functies. Er zijn ook elementen waar de functies en de plaats waar ze hun werking in het lichaam hebben totaal verschillend zijn. In veel onderzoeken werd vrijwel uitsluitend aandacht besteed aan de werking van één element van vitamine E namelijk de alfa-tocoferol.

Nu onderzoeken uitwijzen dat ook de zeven andere elementen zeer belangrijke functies hebben, wordt hierover steeds meer geschreven. Tegenwoordig verwijst de term ‘vitamine E’ niet alleen naar d-alfatocoferol, maar ook naar andere verbindingen met vitamine E activiteit, waaronder d-bèta-, d-gamma- en d-delta-tocoferol. Deze vitamine E componenten werken synergetisch samen.

Functies vitamine E

Een belangrijk deel van de functies van vitamine E is terug te voeren op één principe: het beschermen van vetzuren en in vet oplosbare stoffen tegen (zuurstof)radicalen en andere stoffen. Als antioxidant beschermt vitamine E onder meer (meervoudig) onverzadigde vetzuren in de celmembranen (onder meer in de hersenen) en in vet oplosbare stoffen zoals vitamine A, carotenoïden en geslachts- en bijnierhormonen. Het ondersteunt hart- en bloedvaten en helpt het cholesterolgehalte te verlagen. Vitamine E is daarnaast ook goed voor de spier- en gewrichtsfunctie en helpt het uithoudingsvermogen (aanmaak van rode bloedcellen) te verbeteren. Daarnaast bevordert het een goede vruchtbaarheid en is het betrokken bij het gezond houden van tandvlees.

Natuurlijke vitamine E zit in plantaardige ongeraffineerde oliën, volle granen, tarwekiemen, ongebrande noten en zaden, groene groenten, sojabonen en eieren. Vitamine E uit voeding geeft geen problemen, maar bij extra vitamine E suppletie zijn wat contra-indicaties te melden. Antistolling medicijnen kunnen een sterkere werking krijgen door het gebruik van extra vitamine E suppletie. Een extra waarschuwing voor extra vitamine E suppletie is ook op zijn plaats bij mensen met een hoge bloeddruk.

Voorzichtigheid is ook geboden bij mensen met een overactieve schildklier of een reumatische hartziekte. Een hoge inname van vitamine E suppletie kan ijzergebrek anemie verergeren en ijzersuppletie minder effectief maken. Anorganisch ijzer vernietigt vitamine E, organisch gebonden ijzer doet dit niet.

Gamma-tocoferol

Van de acht tocoferolen komt gamma-tocoferol het meest voor in voeding, en dan voornamelijk in de olie van zaden, noten, sojabonen en maïs. Helaas is door raffinageprocessen het meeste gamma-tocoferol uit de olie verdwenen voordat het uw bord bereikt. Verschillende onderzoeken geven aanwijzingen dat gamma- en alfa-tocoferol elkaar aanvullen voor wat betreft antioxidant-activiteiten van vitamine E. Zo is de gamma effectiviteit bij het wegvangen van lipofiele reactieve stikstofverbindingen van gamma-tocoferol groter dan van alfa-tocoferol. Kleinere onderzoeken leveren aanwijzingen dat in vitamine E, gamma-tocoferol beter dan alfa-tocoferol beschermt tegen o.a. hart- en vaatziekten.

Onderzoeken naar het effect van tocotriënolen worden gedaan met tocotriënolen verkregen o.a. uit palmolie. Het is ook mogelijk om tocotriënolen uit rijstzemelen te halen. De belangrijkste conclusies en resultaten uit onderzoek is dat tocotriënolen de kans op zowel arteriosclerose als op een beroerte verminderen. Tocotriënolen verlagen apolipoprotein B (Apo B) en lipoproteine A; beiden risicofactoren voor hart- en vaatziektes. Maar tocotriënolen geven ook een betere bescherming tegen oxidatieve schade aan de hersenen dan alfa-tocoferol en veroudering van de hersenen wordt zo tegen gegaan. Verder verlagen tocotriënolen het bloedsuikerniveau en beschermen ze tegen leverziekten.

In tegenstelling tot tocoferolen hebben tocotriënolen een cholesterolverlagende werking. Bij het tegengaan van lipide peroxydatie hebben alfa-tocotriënolen een 40 tot 60 maal sterkere antioxidantwerking dan alfa-tocoferolen. Vooral delta- en gamma-tocotriënolen gaan in-vitro bepaalde typen kankercellen tegen; in het bijzonder borstkankercellen. Tocotriënolen gaan in tegenstelling tot alfa-tocoferol klontering van bloedplaatjes tegen (trombose). Tocotriënolen komen gemakkelijker op plaatsen waar tocoferolen niet kunnen komen.

Hieronder komen nog meer positieve effecten van vitamine E en de andere vetoplosbare vitaminen aan bod. De indeling in ‘goede’ en ‘slechte’ vetten in vetrijke voedingsmiddelen wordt nog completer als we daar ook nog zaken in mee nemen als co-factoren (zoals vitamine B en mineralen) die nodig zijn bij de optimale verwerking en opname in het lichaam.

Voeding wordt ingewikkeld als je het ontleed, maar is simpel als je het eet. Mits het in zijn geheel, (zoals de natuur het bedoeld heeft) met liefde klaargemaakt, genietend en met dankbaarheid gegeten wordt.

Vitamine A, D en E

Hierboven was te lezen dat een recente meta-analyse laat zien dat er geen duidelijk verband is tussen het eten van verzadigde vetten en een verhoogd risico op hart- en vaatziekten in het algemeen of coronaire ziekten in het bijzonder. Een recente meta-analyse door Skeaf en Miller (in opdracht van de FAO en WHO) sloot hierop aan en liet zien dat het niet uitmaakte of mensen een dieet gebruikten met een lage inname van verzadigd vet (7-11%) of een hoge inname (14-18%). Het risico op het krijgen van of het overlijden aan een coronaire hartziekten was in beiden gevallen gelijk. In vetten zitten naast vetzuren ook nog andere belangrijke bioactieve stoffen en nutrienten zoals vitamine A, D en E. Hoe belangrijk zijn deze?

Vitamine E bij leveraandoeningen

Niet-alcoholische steatohepatitis (NASH) wordt gekenmerkt door lichte chronische leverontsteking samen met leververvetting. Het is een aandoening die sterk geassocieerd is met insulineresistentie. In de VS werd een klinisch onderzoek (New England Journal of Medicin, Volume 362:1675-1685, 2010) uitgevoerd onder 247 NASH patiënten die geen diabetes hadden. Zij werden in drie groepen verdeeld. Eén groep kreeg een medicijn tegen diabetes pioglitazon en de tweede groep kreeg 800IE vitamine E per dag en de derde groep een placebo. Dit alles gedurende 96 weken. Na afloop bleek o.a. uit de leverbiopsie dat in de vitamine E groep de steatohepatitis veel vaker was verbeterd (43% vitamine E, 34% pioglitazon en 19% placebo). Ook de andere leverfuncties verbeterden het sterkst in de vitamine E groep. Bovendien had vitamine E geen gewichtstoename tot gevolg, in tegenstelling tot het diabetesmedicijn pioglitazon.

Vitamine E en herseninfarct / hersenbloeding

De antioxidant vitamine E verlaagt het risico op een herseninfarct met 10% en verhoogt de kans op een hersenbloeding met 22%. In absolute termen zijn de effecten echter bescheiden. Van elke 1250 gebruikers van vitamine E suppletie zal er 1 daardoor een bloeding krijgen. En 476 personen moeten dagelijks vitamine E innemen om 1 ischemische beroerte te voorkomen.

Dat blijkt uit een meta-analyse van 9 RCT’ s met in totaal 118.765 deelnemers, die is gepubliceerd in BMJ (2010;341:c5702). Het merendeel van de RCT’ s includeerde patiënten met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.

De onderzoekers van Harvard, INSERM en het universiteitsziekenhuis in Essen concluderen dat een waarschuwing tegen massaal gebruik van vitamine E suppletie op zijn plaats is, omdat dat onder meer in de VS al een grote vlucht neemt. Volgens hen weegt de bescheiden risico reductie voor herseninfarcten niet op tegen het hogere risico op hersenbloedingen. De gevolgen van een bloeding zijn immers vaak ernstiger.

Verschillende RCT’ s en meta-analyses naar de effecten van vitamine E op hart- en vaatziekten leverden tot dusver geen significante resultaten op. Ook in deze meta-analyse is het effect van vitamine E op bloedige en ischemische CVA’ s samen niet significant. De onderzoekers denken nu dat de uitkomstmaten van die trials te breed zijn geweest, omdat verschillende pathofysiologische mechanismen ten grondslag liggen aan ischemische en hemorragische gebeurtenissen.

Op welke manier vitamine E hersenbloedingen in de hand werkt en ischemie voorkomt, is overigens niet opgehelderd. De onderzoekers bespreken een mogelijke invloed op plaatjesaggregatie of vitamine K- afhankelijke stolling, en de antioxidantwerking van vitamine E. Ook zijn er aanwijzingen dat de vitamine een rol speelt bij regulering van intracellulaire processen en de inflammatoire respons.

Tocotriënolen én tocoferolen

Recent onderzoek toont aan dat een voedingssupplement van vitamine-E meerdere elementen (tocotriënolen én tocoferolen) moet bevatten om een goede antioxidant werking te hebben om zo een betere bescherming te bieden tegen hart- en vaatziekten, kanker, veroudering en verschillende andere chronische ziektes. Juist die combinatie van verschillende elementen versterkt de totale werking aanmerkelijk. Het geheel is dus duidelijk meer dan de som der delen.

Uit gegevens van de Voedselconsumptie peiling (2009) naar de inname van vitamine E in de Nederlandse bevolking blijkt dat mannen een hoger gemiddelde vitamine E inname (14,2 mg/dag) hebben in vergelijking met vrouwen (10,7 mg/dag). Bij ongeveer 28% van de mannen en 65% van de vrouwen is de inname lager dan de aanbeveling van 12 mg/dag.

Vitamine A en vitamine D

De vitaminen A en D zijn noodzakelijk voor het gezichtsvermogen, vernieuwing van het epitheel van de slijmvliezen, huid, luchtwegen en het maag-darmkanaal en de opbouw van de beenderen. Vitamine A en D ondersteunen bovendien de afweer tegen infecties en moduleren de effecten van diverse hormonen op DNA- niveau, waaronder het schildklierhormoon en de steroïdehormonen.

Voor een goede opname in de dunne darm zijn onder meer de volgende factoren van belang: de aanwezigheid van vet, een efficiënte emulsificatie, het oplossen in galzouten micellen, de invloed van pancreaslipase, de opname door de enterocyten in de dunne darm, de inbouw in lipoproteïnen (chylomicron-vorming) en de secretie in de lymfecirculatie.

Doormiddel van chylomicronen en gebonden op diverse lipoproteïnen bereiken vitamine A (hoofdzakelijk als retinolpalmitaat) en vitamine D via de lymfe de bloedcirculatie en worden door de lever opgenomen. De lever is de grootste opslagplaats van vitamine A (“fat-storing-cells” in het leverparenchym), maar niet van vitamine D. Bepaalde vitamine D-bindende eiwitten in het plasma, adipose weefsels en de spieren vormen voor vitamine D de belangrijkste depots. De opname van vitamine A en D uit de voeding kan verminderd worden door: parasitaire infecties, zware metalen, coeliakie, ziekten van gal en pancreas, cystic fibrosis en chronische diarree.

Carotenen worden minder goed opgenomen dan gedacht

Vitamine A komt alleen voor in dierlijke bronnen: rood vlees, lever, zuivelproducten, vis en eigeel.
Bij verhitting kan tot 40% van de aanwezige vitamine A verloren gaan. Het lichaam kan vitamine A zeer goed opslaan, maar het vermogen om vitamine A uit te scheiden is beperkt. In planten komt geen vitamine A voor, maar wel een stof die het lichaam zelf in vitamine A kan omzetten, namelijk bètacaroteen, ook wel provitamine A genoemd. Het komt onder andere voor in groenten en gele of oranje vruchten, waar het (deels) voor de kleur verantwoordelijk is. Het mineraal zink is noodzakelijk voor het metabolisme (omzetting van bètacaroteen naar vit A) en transport van vitamine A.

Onderzoek toont aan dat carotenen uit de voeding veel minder goed worden opgenomen dan men aanvankelijk dacht, waardoor maar een klein deel van de in de voeding aanwezige caroteen uiteindelijk voor het lichaam bruikbare vitamine A levert. Vitamine A (all-trans-retinol) kan in de cellen van diverse weefsels in meerdere verbindingen worden omgezet, zoals: retinyl-β-glucuronide, retinylfosfaat, cis- en trans-retinal en retinolzuur.

Buiten het oog komt vitamine A echter nauwelijks als retinal voor, maar veel meer in de vorm van retinol en retinolzuur. Strikt genomen is sneeuwblindheid een vorm van vitamine A-gebrek. Ook personen die langdurig in fel TL-licht werken, kunnen een vitamine A-gebrek krijgen.

Retinolzuur beïnvloedt genen

Van alle vitamine A-metabolieten heeft retinolzuur het grootste effect in de celkern, op DNA-niveau. Retinolzuur kan de transcriptie van diverse genen beïnvloeden. Retinol en retinal beschikken zelf niet of nauwelijks over antioxidanteigenschappen. Toch heeft vitamine A een gunstig effect op het antioxidantsysteem, omdat het de biologische beschikbaarheid en concentraties in weefsels van o.a. vitamine E, selenium en glutathion kan verhogen. Naast invloed op het antioxidantsysteem heeft vitamine A volgens sommige onderzoekers ook een effect op het P-450-detoxificatie-enzymsysteem. Vitamine A- gebrek blijkt namelijk te leiden tot een daling van de hoeveelheid en de activiteit van P-450 enzymen in de lever.

Vitamine A is noodzakelijk voor een goede immuun- respons. Bij vitamine A-deficiënte mensen kunnen op immunologisch vlak de volgende verschijnselen worden waargenomen: daling van de cellulaire immuniteit (afname van het aantal NK-cellen), minder goed uitgroeien van lymfocyten en afname van antilichamenproductie. Om beschermd te zijn tegen bacteriële infecties is het van groot belang dat er voldoende antilichamen aanwezig zijn die beschermen tegen mucosale kolonisatie, invasieve infecties en voor de neutralisatie van bacteriële toxines.

Vitamine D3, 25(OH)D3 en 1,25(OH)2D3

De opname van vitamine D en zijn metabolieten in de darm is evenals vitamine A geassocieerd aan chylomicronen. In plasma wordt vitamine D, vergelijkbaar met vitamine A, door middel van een specifiek transport-globuline in het bloed naar de weefsels getransporteerd. Vitamine D wordt op vergelijkbare wijze als vitamine A in de cellen opgenomen en naar de celkern getransporteerd, waar het als een hormoon fungeert.

In de huid kunnen precursors van vitamine D (7-dehydrocholesterol) onder invloed van ultraviolet licht in vitamine D (cholecalciferol, D3) worden omgezet en vanuit de huid via het bloed naar de weefsels getransporteerd worden. Bij personen met een donkere huid verloopt dit transport overigens matig. Bij kunstlicht en achter glas wordt in de huid geen vitamine D3 aangemaakt. Ook door het te vaak wassen van de huid met zeep kan een groot verlies van precursors van vitamine D optreden, waardoor er onvoldoende vitamine D3 gevormd kan worden.

Parathyroïd hormoon (PTH)

Voordat vitamine D3 zijn biologische functies kan uitoefenen, moet het in de lever worden omgezet in 25(OH)D3. Deze stof is overigens de meest voorkomende vitamine D- metaboliet in het plasma. De lever geeft het 25(OH)D3 weer af aan de circulatie waar het naar de nieren wordt vervoerd. In de nieren wordt een tweede hydroxylgroep verbonden aan 25(OH)D3, waardoor 1,25(OH)2D3 ontstaat. Deze reactie wordt gestimuleerd door het parathyroïd hormoon (PTH). Het 1,25(OH)2D3-molecuul is de metabool actieve hormoonvorm van vitamine D (ook wel het D- hormoon genaamd) dat vergelijkbaar met andere steroïdehormonen op DNA-niveau effecten kan uitoefenen op de stofwisseling. De lever en nieren vervullen dus een centrale rol in de stofwisseling en activering van vitamine D3.

Samen met de peptide hormonen calcitonine en het parathyroïde hormoon (PTH) speelt het steroïde vitamine D-hormoon een belangrijke rol in de calcium- en fosforhomeostase. Calcium en fosfor zijn noodzakelijk voor diverse biologische processen in het lichaam. Calcium bijvoorbeeld is betrokken bij de spiercontractie, prikkelgeleiding in zenuwen, bloedstolling, het handhaven van structuren van celmembranen en als co-factor van lipases en ATP-ases.

Fosfor is een belangrijke component van DNA, RNA, membraanlipiden en het ATP-energie-systeem in de cel. Voor de fosforylering van diverse proteïnen is fosfor tevens van groot belang. Het handhaven van calcium- en fosforconcentraties binnen bepaalde grenzen in het bloed is van essentieel belang voor een correcte mineralisatie van de botten.

De laatste jaren zijn echter steeds meer functies van het D-hormoon aangetoond, die niet gerelateerd zijn aan de calciumhuishouding. In studies is aangetoond, dat er in het cytoplasma èn de kernen van hersen-, pancreas-, huid-, kraakbeen-, bijnier-, borstklier-, amnion-, spier-, parathyroïdklier- en immuuncellen 1,25(OH)2D3-receptoren aanwezig zijn. Het D-hormoon zou onder meer een rol spelen in de productie van insuline, prolactine, de spierfunctie, de immuun- en stress-respons, de melaninesynthese en de differentiatie van huid- en bloedcellen.

Literatuur en links:

Nederlandse Tijdschrift voor Geneeskunde. 2010;154:C757
BMJ 2010; 341: c5702. doi: 10.1136/bmj.c5702 : Effects of vitamin E on stroke subtypes: meta-analysis of randomised controlled trials
Voeding & Visie jaargang 23, nr.2 2010
New England Journal of Medicin, Volume 362:1675-1685, 2010
Stipanuk, M.H. Biochemical and Physiological Aspects of Human Nutrition. W.B. Saunders Company, 2000, ISBN 0-7216-4452-X.
American Journal of Clinical Nutrition, Vol. 81, No. 1, 1-2, January 2005
Siri-Tarino, P.W, e.a. Meta-analyse of prospective cohort studies evaluating the association of saturated fat with cardiovascular disease. Am J Clin Nutr 2010: 91: 535- 546
Siri-Tarino, P.W, e.a. Saturated fat, carbohydrate, and cardiovascular disease. Am J Clin Nutr 2010; 91: 502-509
Skeaf. C.M, Miller, J Dietary fat and coronary heart disease: summary of evidence from prospective cohort and randomized controlled trails. Ann Nutr Metab 2009; 55: 173-201
Jakobsen, M.U e.a Major Types of dietary fat and risk of coronary heart disease: a pooled analysis of 11 cohort studies, Am J Clin Nutr 2009; 89: 1425-1432
Mozaffarian.D e.a Effects on coronary heart disease of increasing polyunsaturated fat in place of saturated fat: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trails. PLoS Med 2010; 7(3): e1000252.
Musunuru, K. Atherogenic dyslipidemia: cardiovascular risk and dietary interve. Lipids 2010
Micha, R, Mozaffarian.D. Saturated fat and cardiometabolic risk factors, coronary heart disease, stroke, and diabetes; a fresh look at the evidence. Lipids 2010; advance online publication DOI 10.1007/s11745-010-3393-4.