skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

Over de verschillende varianten van het hepatitusvirus en hun ontstaan door -Paul Michaels. Met dank aan het tijdschrift Supplement. (Dit artikel is in augustus 2007 gepubliceerd in hun tijdschrift)

Hepatitis

Vrijwel elk organisme kan door een virus worden geïnfecteerd: bacteriën, schimmels, planten, dieren en mensen. Hoe simpel een virus ook mag lijken, er bestaan grote verschillen tussen virussen onderling. Niet alleen wat betreft de grootte en de vorm van de virusdeeltjes zelf, maar ook qua samenstelling van het genoom en welke gastheercellen het virus kan infecteren. Om de herkenning van virussen te vergemakkelijken, is er een indeling gemaakt. Zo wordt duidelijk welke virussen aan elkaar verwant zijn.
Basis voor de virologie Toen ongeveer een eeuw werd ontdekt dat er ‘iets’ bestond dat ongeglazuurde porseleinen filters kon passeren en ziektes kon veroorzaken, werd de basis gelegd voor de virologie. Het bestaan van bacteriën en schimmels was wel bekend, maar die konden wel door porseleinen filters worden tegengehouden. Omdat er zo weinig over virussen bekend was, werden ze in groepen ingedeeld op grond van de ziekte die ze veroorzaakten. Zo werden bijvoorbeeld alle virussen die leveraandoeningen bij zoogdieren veroorzaakten in de groep ‘hepatitisvirussen’ samengebracht.

Dna-virussen

De eerste groep virussen worden DNA virussen genoemd omdat hun genoom uit DNA bestaat. De lengte van het DNA kan variëren tussen de 5000 basenparen (voor het parvovirus) tot 230.000 basenparen voor de familie van poxvirussen. De bekendste uit die familie is de veroorzaker van pokken, een ziekte die door effectieve vaccinatie inmiddels niet meer voorkomt in de wereld. Andere voorbeelden van DNA virussen zijn de herpesvirussen (koortslip en genitale herpes) en Epstein Barr virus (bekend van de ziekte van Pfeiffer).

Zie hier de tabel voor icon besmettingsmogelijkheden bij Hepatitis.

Veel DNA virussen lijken betrokken te zijn bij het ontstaan van kanker. Een bekend voorbeeld daarvan zijn de Humane Papilloma virussen die naast wratten ook bij bepaalde vormen van kanker (baarmoederhals- en huidkanker) betrokken zijn.
Nadat een DNA virus een cel is binnengedrongen is het belangrijk dat het genoom van het virus naar de kern van de cel wordt getransporteerd. In de kern vindt namelijk de transcriptie van DNA naar mRNA plaats. Pas daarna kunnen de virale eiwitten gemaakt worden. DNA virussen hebben allerlei regelmechanismen bedacht om ervoor te zorgen dat de cel vooral het virale DNA afschrijft en zich nauwelijks nog met zijn eigen DNA bezighoudt. Zij zorgen ervoor dat alleen nog cellulaire eiwitten gemaakt worden die het virus helpen bij het vermenigvuldigen van het virale DNA. Dit laatste proces kan de normale gang van zaken in de cel zo in de war schoppen dat de cel zich ontwikkelt tot een kankercel.

Een andere eigenschap die veel bij DNA virussen voorkomt is dat ze op ingenieuze manier aan ons immuunsysteem kunnen ontsnappen. Het virus leeft ondergedoken in de cel. Normaalgesproken wordt een cel die door een virus geïnfecteerd is herkend door het immuunsysteem. Een stukje viraal eiwit wordt naar de buitenkant van de cel gebracht, waarna het immuunsysteem de cel als ‘vreemd’ herkent en opruimt. DNA virussen kunnen dit proces stopzetten. Dit heeft tot gevolg dat als iemand eenmaal door een dergelijk virus is geïnfecteerd, hij dit virus nooit meer kwijtraakt. Meestal heeft iemand geen last van het virus, maar als door vermoeidheid of stress het afweersysteem minder goed werkt, begint het virus zich opnieuw te delen. Een goed voorbeeld hiervan is het herpesvirus, de veroorzaker van de koortslip.

Rna-virussen

Bij ongeveer tachtig procent van alle tot nu toe bekende virussen bestaat het genoom uit RNA, de RNA virussen. Het zijn de enige organismen die hun genetische materiaal hebben opgeslagen in RNA in plaats van DNA. De grootte van RNA virussen varieert tussen de 5000 tot 15000 nucleotiden, al zijn er uitzonderingen tot ruim 30000 nucleotiden. Bij de vermenigvuldiging van RNA virussen wordt geen DNA gevormd (met uitzondering van de retrovirussen, zoals hierna beschreven).

Het maken van een RNA kopie van RNA is een reactie die normaal niet in cellen plaatsvindt. Het wordt gekatalyseerd door een viraal enzym, dat door de virussen zelf meegenomen wordt. Dit RNA polymerase maakt bij het kopiëren van het RNA veel fouten. Het is een van de oorzaken dat RNA als drager van genetisch informatie zo instabiel is. De nieuwe virussen die uit een cel ontsnappen zijn dus eigenlijk een verzameling virussen met gemiddeld één foute nucleotide in het genoom, elk op een andere plek. Die vele fouten hoeven natuurlijk niet altijd nadelig voor het virus te zijn; de meeste foutjes hebben geen invloed op de levenscyclus van het virus en sommige foutjes kunnen zelfs gunstig voor het virus zijn. Virussen kunnen zo extra snel resistent worden tegen bepaalde geneesmiddelen.

Hepatitis

Er zijn verschillende virussen die hepatitis kunnen veroorzaken. Deze virussen worden aangeduid met opeenvolgende letters van het alfabet: hepatitis A, hepatitis B, enzovoort. Hepatitisvirussen maken gebruik van de cellen van de lever. Hierdoor ontstaat een leverontsteking. De hepatitisvirussen verschillen in de manier waarop ze van mens tot mens worden overgedragen, in de manier waarop ze schade aan de lever veroorzaken en in de mate waarin leverschade ontstaat. Virale hepatitis is de meest voorkomende leverziekte ter wereld.

Alle hepatitis virussen kunnen een acute ziekte veroorzaken. Alle hepatitis virussen kunnen een acute ziekte veroorzaken. Symptomen van zo’n acute hepatitis zijn bijvoorbeeld het geel worden van de huid en ogen, donkere urine, extreme vermoeidheid, misselijkheid en braken en soms heftige buikpijn die aanvoelt als spierpijn. Patiënten met hepatitis B, C, D en E kunnen blijvend virusdrager worden en dat kan uiteindelijk uitmonden in een ernstige chronische leverziekte. Er bestaan ook duidelijke aanwijzingen voor een verband tussen hepatitis B infecties en een bepaalde vorm van leverkanker, het hepatocellulair carcinoom.

Ook andere hepatitisvirussen

Vroeger dacht men dat alle hepatitisvirussen hetzelfde waren omdat ze dezelfde ziekteverschijnselen veroorzaken. Het was al sinds de jaren zeventig bekend dat er nog andere hepatitisvirussen moesten bestaan. Toen kwamen er namelijk speciale serologische tests ter beschikking om hepatitis A- en B virus aan te tonen. Daarbij bleek dat lang niet alle gevallen van deze ziekte door die twee virussen werden veroorzaakt. Serologische tests om de andere verwekkers aan te tonen ontbraken echter en daarom kon men ze alleen diagnosticeren door de twee bekende virussen uit te sluiten; vandaar de naam non-A-non-B-hepatitis.

Dankzij de zogenoemde polymerase kettingreactie is men er de laatste jaren in geslaagd om de non A non B groep onder te verdelen in hepatitis C, D, E, F en G. Ook daarmee kan overigens nog steeds niet bij alle patiënten de verwekker geïdentificeerd worden. Er moeten dus, zoals gezegd, nog meer hepatitisvirussen zijn.
Nu weten we dat bijvoorbeeld Hepatitis A en Hepatitis C beide tot de positief strengige RNA virussen behoren. Hepatitis B is echter een DNA virus. De indeling in families leert ons dat Hepatitis A meer gemeen heeft met bijvoorbeeld het poliovirus of het virus dat mond- en klauwzeer veroorzaakt, terwijl Hepatitis C meer verwantschap met het gele koorts virus of het West Nile virus heeft. Al lijken ze dus dezelfde ziekte te veroorzaken, hun manier van repliceren, hun vorm en grootte zijn totaal verschillend.

Als we bijvoorbeeld praten over het hepatitis C virus, dan lijkt het alsof we praten over één virus. Dit is misleidend omdat we het eigenlijk hebben over een familie van virussen. De verschillende leden van deze familie, ook wel genotypen genoemd, vertonen kleine verschillen en worden aangeduid met de cijfers 1 t/m 6. Sommige van deze genotypen bestaan weer uit subtypen die kleine variaties in zich hebben. Deze subtypen hebben meestal een kleine letter. Hepatitis C 1a en 1b lijken dus erg op elkaar, maar het verschil tussen hepatitis C 1a en 2a is een stuk groter.
Momenteel is er nog maar weinig bekend over de invloed van het genotype en/of het subtype op de mate waarin leverschade kan ontstaan. Wel weten we dat het genotype van het hepatitis C virus mede bepalend is hoe doeltreffend de momenteel beschikbare medicijnen. Zo reageren de genotypen 2 en 3 over het algemeen beter op antivirale therapie dan de andere genotypen. Omdat het genotype een zodanige sterke en betrouwbare voorspelling geeft van de behandelresultaten, wordt vóór het starten van de therapie het genotype bepaald door middel van een bloedtest.

Hepatitis A

Pas in het begin van deze eeuw ontdekte men dat een diffuse ontsteking van de lever (hepatitis) verantwoordelijk was voor de van oudsher bekende epidemieën van geelzucht en zo ontstond het begrip ‘infectieuze hepatitis’. Hepatitis infectiosa wordt meestal veroorzaakt door hepatitis A virus (HAV). Dat is een enkelstrengs RNA virus en behoort tot de groep van de Picornaviridae. Het wordt overgebracht via fecaal orale weg (verontreinigd drinkwater of besmette groente!). Na een incubatieperiode van 2 tot 6 weken treden de eerste ziekteverschijnselen op. Tijdens de incubatie en in de periode van de eerste ziekteverschijnselen wordt het virus in de feces uitgescheiden.

Hepatitis B

Voor de gewone Nederlander is hepatitis B virus (HBV) veel gevaarlijker. Minuscule hoeveelheden bloed kunnen het overdragen. In de tandheelkunde komen HBV besmettingen voor na fouten bij de sterilisatieprocedures of door direct contact met geïnfecteerd bloed of speeksel. Er zijn in de wereld ongeveer 300 miljoen dragers van hepatitis B virus. In Nederland komt deze aandoening veel voor onder de allochtone bevolking. Daarnaast zijn er ook veel dragers onder homoseksuelen en intraveneuze drugsgebruikers.
HBV is een dubbelstrengs DNA virus met een lipide kapsel en het behoort tot de familie van de Hepadnaviridae. Er zijn verschillende tests om het virus in de acute fase aan te tonen. De incubatietijd varieert van 4 weken tot maar liefst 6 maanden. De meeste hepatitis B patiënten genezen volledig binnen een periode van een half jaar. Daarna is deze groep niet meer besmettelijk. Bij 5 tot 10 % ontstaat een chronische hepatitis. Deze laatste groep blijft besmettelijk voor anderen. Leeftijd speelt een factor bij het chronisch worden van de ziekte. Wanneer men de infectie tijdens de geboorte of als kind oploopt, kan de kans op het ontstaan van een chronische infectie oplopen tot 90%.
De gevolgen van een chronische infectie zijn zeer verschillend. Er kan sprake zijn van een duidelijke ontsteking met als uiteindelijk resultaat levercirrose. Verder bestaat er een verhoogd risico op het krijgen van levercelcarcinoom. In andere gevallen is er slechts weinig ontsteking met uiteindelijk ook zeer weinig schade voor de lever. Deze mensen hebben ook vrijwel geen klachten. Mensen die geen ontsteking in de lever hebben en slechts een kleine hoeveelheid HBV DNA noemen we niet actieve dragers.

Hepatitis C

Hepatitis C werd vroeger ook wel posttransfusie hepatitis genoemd, omdat deze infectie veel voorkomt bij mensen die meerdere bloedtransfusies ondergaan hebben, zoals hemofiliepatiënten. In Nederland zijn praktisch alle hemofiliepatiënten die vroeger niet-gesteriliseerde stollingsfactoren hebben gekregen, besmet geraakt. Verder komt de aandoening veel voor bij intraveneuze druggebruikers. Daarnaast bestaat er nog een sporadische vorm bij mensen die niet tot deze risicogroepen behoren. Hepatitis C is in Nederland geen zeldzame aandoening: Wereldwijd zijn er ongeveer evenveel dragers van HCV als van HBV.
HCV is een enkelstrengs RNA virus met een kapsel en het behoort tot de familie van de Flaviviridae. De fase van de acute hepatitis verloopt in dit geval vaak onopgemerkt, maar de aandoening wordt in ongeveer 50% van de gevallen chronisch en de consequenties zijn dus ernstig. De incubatietijd bedraagt 2 tot 20 weken. Seksuele overdracht komt voor, maar is veel zeldzamer dan bij hepatitis B. Zo komt deze ziekte weinig voor bij partners van patiënten met chronische hepatitis C. Secretieproducten, zoals speeksel, sperma, vaginaal vocht, urine en feces bevatten meestal geen virus.

Hepatitis D

Hepatitis D (vroeger het delta-agens genoemd) is onlosmakelijk verbonden met hepatitis B. Het gaat hier namelijk om een incompleet enkelstrengs RNA virus dat hepatitis B virus nodig heeft om een gastheer te besmetten (het maakt gebruik van het kapsel van HBV). Hepatitis D komt daarom alleen als superinfectie voor bij patiënten met chronische hepatitis B. Dergelijke dubbele infecties kunnen een agressief verloop hebben. Ongeveer 5% van de dragers van HBV zou ook besmet zijn met HDV. HDV wordt op dezelfde wijze overgedragen als HBV: via bloed en via seksueel contact.

Hepatitis E

Al in de jaren vijftig was duidelijk dat er een op hepatitis A gelijkend virus moest zijn dat via fecaal orale weg werd overgebracht. In 1957 werd vanuit Kirgizië, in het Aziatische deel van de toenmalige Sovjet-Unie, een grote geelzuchtepidemie gerapporteerd, waarbij 10.000 mensen betrokken waren. Later volgden epidemieën in India, China, verscheidene Afrikaanse landen en recent ook Mexico.
Door de fecaal orale overdracht en het ontbreken van chronische ziekte leek deze aandoening sprekend op hepatitis A, alleen bestond er een opvallend hoge sterfte onder zwangere vrouwen (20 tot 30%!). Achteraf bleek uit bewaarde bloedmonsters dat het om een heel nieuw hepatitisvirus ging. Het kreeg de naam hepatitis E virus (HEV).
In 1990 is het DNA genoom van dit virus ontrafeld. HEV is een enkelstrengs RNA virus zonder kapsel. Het is mogelijk een lid van de familie van de Caliciviridae. Nu het kon worden aangetoond bleek dat Hepatitis E ook als sporadische ziekte voorkwam. De incubatietijd bedraagt 2 tot 9 weken. Veel patiënten met hepatitis E virus zijn langdurig besmettelijk (45 tot 112 dagen lang). Dat verklaart vermoedelijk het grote aantal epidemische gevallen van deze ziekte in de tropen.
Er zijn echter nog veel dingen onduidelijk: zit het virus ook in speeksel, sperma en vaginaal secreet en is er ook overdracht van mens op mens? Uit een serologisch onderzoek in Nederland onder 269 patiënten met hepatitis en onder 275 aselect gekozen bloeddonors werden in respectievelijk 8 (3%) en 5 (1,8%) van de bloedmonsters antistoffen tegen hepatitis E aangetroffen (NTvG 1992;136:2173-5). Afgaande op de resultaten van dit onderzoek lijkt hepatitis E betrekkelijk vaak voor te komen in Nederland. Het valt echter volgens de onderzoekers niet uit te sluiten dat deze personen allemaal geïnfecteerd zijn in het buitenland. Aan de andere kant lijkt het klinische beeld van hepatitis E sterk op dat van hepatitis A. Het is dus goed mogelijk dat een aantal veronderstelde patiënten met hepatitis A in werkelijkheid besmet zijn met hepatitis E virus.

Het hepatitis G en F virus

Deze twee virussen zijn recentelijk ontdekt. De rol van deze virussen bij leverontstekingen is nog niet volledig omschreven. Het hepatitis F virus is maar één keer gesignaleerd en werd sindsdien door geen enkele onderzoeker meer waargenomen.
Het hepatitis G virus ten slotte, blijkt het niet echt op de lever gemunt te hebben en is dus geen zuiver hepatitisvirus, het heeft wel invloed op het verloop van aids. Waar Hepatitis B geassocieerd wordt met een verslechtering van het verloop HIV besmetting, lijkt het hepatitis G virus het HIV virus in de weg te zitten. Hepatitis G is een RNA virus.

Commentaar NDN

Belangrijk is dat wanneer u hepatitis heeft dat u uw lever goed verzorgd met speciale voedingsadviezen. Zie hiervoor de algemene gezonde voedingsadviezen volgens de principes van de natuurdiëtisten en de algemene gezonde levervoeding. Voor voedingsadviezen op maat consulteert u dan de natuurdiëtist die gespecialiseerd is in levervoeding.

Zie ook het nieuwsitem Homocysteine: boodschapper van slecht nieuws.