Een persoonlijke oproep van Marijke de Waal Malefijt

Natuurdiëtisten.nl

Gratis Nieuwsbrief

Waardevolle en actuele informatie en tips over voeding en uw gezondheid!

Uw emailadres wordt alleen gebruikt voor toezenden van de nieuwsbrief.

Nieuwsbrief archief

Darmflora

De darmen geven een weerspiegeling van de gezondheid. Voor een goed werkend immuunsysteem is een gezonde spijsvertering noodzakelijk . Verkeerde eetgewoonten, antibioticabehandelingen, infecties, erfelijke aanleg etc. kunnen de darmflora en hierdoor het immuunsysteem verstoren. Het begin van een stofwisselingsblokkade, een allergie, een gebrek aan vitamines, mineralen en sporenelementen is daarom vaak te vinden in de darmen.
Speciale ontlastingsonderzoeken Goed inzicht krijgen in het ecologische systeem van de darmen kan door speciale ontlastingsonderzoeken. Dit geeft o.a. informatie over de zuurtegraad van de darmen, het aantal aërobe- en anaërobe darmflora, het aantal soorten schimmels en het verloop van de spijsvertering. Dankzij deze onderzoeken wordt het voorschrijven van de juiste voedingsadviezen makkelijker. Bijvoorbeeld door het geven van een eiwitbeperking bij een teveel aan proteolytische darmkiemen (bacteriën die leven van eiwitten). Of een vetbeperking bij een teveel aan lipolytische darmkiemen (bacteriën die leven van vetten) en een koolhydraatbeperking bij een teveel aan schimmels (deze leven van suikers). Elke bacterie zijn eigen groeivoorwaarden In het algemeen verdeelt men de darmflora -dat zijn de micro-organismen die in de darm leven- in op hun groeivoorwaarden. Er zijn aërobe, anaërobe en microaerophile flora. Aërobe bacteriën groeien in aanwezigheid van zuurstof, anaërobe bacteriën groeien in zuurstofvrije omstandigheden en microaerophile bacteriën hebben zuurstofarme omstandigheden nodig. Residente en transiënte flora Er bestaat nog een verschil en dat is het verschil tussen wat heet de residente en transiënte flora. De residente flora zijn onmisbaar voor de fysiologische processen in de darmen. Dit zijn zogenaamde 'obligaat bacteriën'. Het is afgeleid van het woord obligaat dat verplicht, noodzakelijk betekent.
De transiënte flora, ook wel passerende kiemen genoemd, zijn permanent in de darm aanwezig. Ze komen simpelweg door de voeding binnen. Ze worden tot op zekere hoogte verdragen en hebben in het algemeen geen nut. Wél hebben ze een schadelijke invloed op de darmen. Daarom worden in de uitslagen van ontlastingsonderzoeken zogeheten getolereerde waarden aangegeven (bijv. <10.4). De juiste onderlinge verhoudingen Een negatieve verschuiving tussen residente aërobe, anaërobe, microaerophile bacteriën en een toename van de transiënte flora (ook schimmels), leidt tot een beschadiging van de darmen. Dat kan tot een beschadiging van de stofwisseling (metabolisme) leiden. De hierboven genoemde 'residente flora' geven een stimulerend effect. Deze goede werking die ervan uitgaat, is afhankelijk van de ontwikkeling van het darmslijmvlies en het functioneren van het immuunsysteem. Een extra 'veiligheidsklep' De ruime verspreiding en receptorblokkade van die flora vormt een barrière tegenover lichaamsvreemde kiemen. (Een receptorblokkade is een specifiek mogelijkheid van het lichaam om ongewenste en/of schadelijke stoffen te signaleren, deze de weg te versperren en daarmee de doorgang te belemmeren.) Zo’n barrière ontstaat door een gezonde strijd om voedingsstoffen te creëren en door het aanmaken van groeiremmende (z.g. microbiocide) stofwisselingsproducten. Samen met de anatomische indeling van de darm draagt deze (residente) flora bij aan het weerstandsvermogen tegen passerende (transiënte) kiemen (hieronder vallen ook schimmels).
Naast het vormen van deze barrièrefunctie nemen de (residente) flora vooral deel aan de stofwisseling van het darmslijmvlies. Zo kunnen ze vetzuren aanmaken. De door deze flora geproduceerde vetzuren met een korte moleculaire keten verzorgen ca. 40% van de energiebehoefte voor de epitheelcellen van de dikke darm. Enkele kiemen van de darmflora, zoals Bifidobacteriën-stammen en E.coli. maken de vitaminen B1, B2, B6,B12, foliumzuur, biotine, niacine en pantotheenzuur aan. Stuk voor stuk belangrijke onderdelen voor uw gezondheid. pH-waarde De pH-waarde -ook zuurtegraad genoemd- van de ontlasting is een eenvoudige, maar belangrijke maatstaf voor de beoordeling van de in de darm aanwezige darmflora. Deze waarde geeft het resultaat weer van alle microbiële stofwisselingsprocessen in de dikke darm. De pH-waarde van de ontlasting zegt niets over de pH-waarde ín de andere lichaamsweefsels. Het gaat hier vooral om de samenstelling van de darmflora en vooral de afzonderlijke verhoudingen tussen de nutriënten die de pH-waarde beïnvloeden.
Koolhydraten die u eet worden door de koolhydraatbacteriën (de saccharolytische bacteriënflora) in de dikke darm omgezet in vetzuren. Daardoor ontstaat een verzuring van de darmflora, wat een pH-verlagende werking geeft. Eiwitten die u eet worden omgezet door de eiwit-actieve darmflora, de proteolytisch actieve darmkiemen. Deze produceren ammonia en andere stofwisselingsproducten, dat alkalische effecten geven. Dat wil zeggen ze hebben een pH-verhogende werking.  Saccharolytische darmkiemen Deze zijn zuurvormend (dus pH verlagend) en leven van koolhydraten/vezels. Enkele heten:
Enterococcus sp.
Lactobacillus sp,
Bifidobacterium sp.
E.coli / E.coli varianten
Bacteroides Proteolytische darmkiemen Deze zijn alkaliserend (dus pH verhogend) en leven van eiwitten. Enkele heten:
E.coli/E.coli varianten
Eneterobacterien
Bacteroide stammen
Clostridien sp. (ook lypolytisch: wat wil zeggen het leeft van vet)
Pseudomonas
Proteus Klebsiella Een gezonde darm: een goede pH-waarde

Bij een Europese omnivoor (dit is een alleseter, waaronder o.a. de mens valt) met gezonde darmen ligt de pH-waarde tussen 6,0 - 7,0. Eenzijdige voeding of een niet goed werkende vertering leidt tot een onjuiste darmflora. Dat geeft op zijn beurt een ongewenste verschuiving van de pH-waarde.

Koolhydraten zijn
pH verlagend.
Eiwitten zijn pH verhogend.

 Het teveel eten van eiwitten of vetten geeft een overschot ervan in de dikke darm en dat geeft een alkalisch (pH verhogend) darmmilieu. Dit geldt ook voor storingen in de eiwit- en vetvertering (zoals exocrine pancreasinsufficientie, verstoorde secretie van galzuren) en voor ontstekingen van het darmslijmvlies.

De juiste zuurtegraad van uw darmen

Een overwegend zuurvormende (saccharolytisch) actieve dikke darmflora door vezelrijke voeding en ook koolhydraatintolerantie leiden dus tot een verzuring van de ontlasting. Dat is juist goed, omdat bij een alkalische (dus pH-verhogend) pH-waarde veel bacteriële enzymsystemen met een schadelijke werking optimaal functioneren, wordt gestreefd naar een zure pH-waarde van de ontlasting tussen 5,8 - 6,8. Deze waarde kunt u bij een vezelrijke voeding verwachten.
Bij zuigelingen bestaat de dikke darmflora bijna uitsluitend uit bifidobacteriën en lactobacillen, dus verzurende bacteriën, wat blijkt uit de typisch zuur ruikende ontlasting met een pH-waarde tussen 5,0 - 5,5. Een onjuiste zuurtegraad Bij een onjuiste zuurtegraad kunnen een voor de mens schadelijke, bacteriële stofwisselingsproducten (toxinen) geproduceerd worden zoals biogene aminen of precarcinogenen. Bovendien vestigen en vermeerderen allerlei ongewenste kiemen (ook enteropathogenen) zich beter in het alkalische (pH verhogend) milieu.
Een pH-waarde hoger dan 7,0 is niet aan te raden. Daarom wordt deze waarde als bovengrens gehanteerd. Bij een pH-waarde van 7.0 of hoger moet een nauwkeurige voedingsanamnese en evt. verder onderzoek (verteringsparameter, aanwijzingen voor ontstekingen) gedaan worden. Gevolgd door een therapeutische behandeling ervan.

Een goede vertering: het halve werk Winderigheid, onduidelijke klachten in de onderbuik, diarree, obstipatie en andere maag-darmstoringen, gaan vaak gepaard met min of meer duidelijke verschuivingen in de darmflora. Met als resultaat een onvoldoende werkende spijsvertering en/of onvoldoende opname van de voedingsstoffen. Met behulp van bepaalde testen is het mogelijk een gebrekkige vertering (spiervezels, zetmeel, neutrale vetten, vetzuren) in de ontlasting aan te tonen. Deze eenvoudige, snelle en goedkope methode is een eerste aanwijzing op verstoringen in uw vertering of in uw opname. Soms kan verder onderzoek nodig zijn.
Bacteriële dysbiose De darmflora beschermt uw lichaam tegen infecties, produceert belangrijke voedingsstoffen en speelt een belangrijke rol in uw immuunsysteem. Een goede balans in deze darmflora is dus essentieel. Als deze balans verstoord raakt spreken we van een 'bacteriële dysbiose'. Meestal betreft dit een teveel van een of meerdere soorten met minder gunstige eigenschappen, zoals een schimmelsoort of de bacterie Clostridium of Pseudomonas. Deze overgroei gaat ten koste van de goedaardige flora (bijvoorbeeld de Bifido en Lactobacillus). Het ontstaan van een dysbiose Een disbalans in de darmflora ontstaat door verschillende oorzaken. Hier noemen we er enkele. Zo bestaat er geen twijfel aan de onmisbaarheid van antibiotica. Het zijn echte levensredders in noodgevallen. Naast de ziekteverwekker die bestreden wordt, kan bij sommige antibioticabehandelingen (oraal, breedspectrum) helaas een zeer groot gedeelte van de goedaardige microflora in de darm verdwijnen. De zo ontstane ‘lege’ darm is zeer gevoelig voor infecties zowel van buitenaf als van binnenuit door bepaalde stoffen die zich nog in de darm bevinden. Twintig tot dertig procent van de mensen die behandeld zijn met breedspectrum antibioticatherapie krijgt diarree die bijna altijd het gevolg is van een infectie met Clostridium. Verder kunnen er ook andere infecties optreden zoals door Candida, E-coli en gistschimmels. Niet alleen antibiotica kan een ongewenste bijwerking op de goedaardige microflora geven. Andere mogelijkheden zijn:

  • Langdurige of frequente obstipatie
  • Chloor en andere bacteroïcide chemicaliën (zware metalen, medicijnen, fluor e.d) die zich in het drinkwater bevinden.
  • Vlees uit de bio-industrie met antibiotica
  • Overmatig alcohol gebruik/misbruik.
  • Overmatig suiker-, vet- en dierlijk eiwitgebruik (bijvoorbeeld kaas, vlees, melk).
  • Eten van bedorven voedsel, voedselvergiftiging.
  • Langdurig vasten. Of niet eten, zoals bij eetstoornissen kan voorkomen.
  • Verteringsstoornissen (onvoldoende maagzuur, slechte galfunctie, slechte pancreasenzymen productie, slechte darmperistaltiek).
  • Infecties.
  • Darmoperatie, bestralingstherapie en chemokuur.
  • Medicijngebruik (bijvoorbeeld de NSAID’s, dit zijn ontstekingsremmers).
  • Emotionele en fysieke stress.

Vertering en mineralenIn de voeding zijn mineralen en spoorelementen meestal gebonden aan eiwitten of andere organische verbindingen. Sommigen kunnen in deze vorm worden opgenomen door de dunne darm. De meeste mineralen en spoorelementen kunnen slechts als ion worden opgenomen. Daartoe moeten ze eerst worden vrijgemaakt uit hun gebonden vorm door te kauwen en door een gedeeltelijke vertering van het voedsel. De vertering loopt in twee fasen:

  • Fase 1 betreft de vertering in de maag, waarbij het mineraal in ionische vorm vrijkomt.
  • Fase 2 betreft het inpakken (de chelatie) van het mineraal door aminozuren (aminozuurchelaat), waarna absorptie kan plaatsvinden.

Makkelijke mineralen: in ion-vorm Klachten als dysbiose, verminderde enzymatische activiteit van de pancreas, verminderde maagzuurproductie, atrofie van de darmvlokken en malabsorptie syndroom, hebben negatieve gevolgen voor de spijsvertering. Er is een mogelijkheid om dan gesuppleerde mineralen in een ionische vorm te geven, zodat fase 1 van de vertering wordt omzeild. In de darm is er voldoende eiwit aanwezig uit afbraak van oude darmcellen voor de fase 2: het inpakken (de chelatie) van de mineraal-ionen tot aminozuurcomplexen die nodig zijn voor goede opname (absorptie). Wat is een ion? Een ion is een deeltje (een atoom of een groep atomen) dat een electrische lading draagt. Er zijn twee groepen ionen: positief geladen ionen, de kationen (+) en negatief geladen ionen, de anionen (-). Voorbeelden van belangrijke kationen in het lichaam zijn die van magnesium, natrium, kalium, calcium en waterstof. Belangrijke anionen zijn bicarbonaat, chloride en fosfaat. Katalytische oligotherapie Oligo- of spoorelementen zijn natuurlijke mineralen die in kleine dosis toegediend worden. Ze helpen als activator van enzymen en bij het opheffen van enzymblokkades. Ze spelen o.a een rol als: cofactor van enzymen, vitamines en van structurele stoffen en hormonen in het lichaam. Het speelt een rol als regulator bij ionfluxen door de membranen en als als regulator bij de DNA synthese.

Oligo-elementen kunnen pas optimaal benut worden als ze in de geïoniseerde vorm (de ‘niet-gebonden’ vorm of de zogenaamde voorverteerde vorm) toegediend worden. Tabletten zijn niét geïoniseerd omdat de lading van de mineralen door het tabletteren geneutraliseerd worden. Om diezelfde reden mag u vloeibare geïoniseerde spoorelementen niét in contact laten komen met een metalen lepel. Een betere opname De opname (absorptie) wordt door de geïoniseerde vorm zeer effectief verhoogd. Oligo-elementen worden heel snel via het mondslijmvlies direct in het bloed opgenomen. Vandaar het advies de vloeistof dertig seconde onder de tong houden, bij voorkeur nuchter of voor de maaltijd.

Kwalijke bacteriën en kwalijke werkingen De verkeerde bacteriën kunnen bij een overgroei in de darmflora schade aanrichten. Aan een kant ontstaat er schade door speciale enzymen die de vele schadelijke bacteriën afgeven. Aan de andere kant ontstaat er schade door de afvalstoffen van deze hoeveelheid  schadelijke bacteriën. Van dit laatste hebben vooral de lever en de darmwand te lijden. We zetten het voor u even op een rijtje wat de nare gevolgen kunnen zijn.Schadelijke enzym-activiteiten Enzymen die geproduceerd worden bij een bacteriële overgroei kunnen teruggevonden worden in de ontlasting. De meest belangrijke enzymen zijn:

  • Urease (afkomstig van Bacteroides, Proteus, Klebsiella) wordt opgeroepen door het eten van veel vlees. Urease maakt ureum wateroplosbaar tot ammonia, waardoor de pH-waarde van de ontlasting toeneemt. Dit geeft meer kans op darmslijmvliesschade (mucosale schade) en uiteindelijk op darmkanker.
  • Decarboxylase levert vaso-actieve en neurotoxische amines op. Onder meer histamine, octopamine, tyramine) wat o.a. hoofdpijn, gedragsveranderingen en zenuwoverprikkelingen geeft.
  • Tryptofanase wordt opgeroepen door vlees en zorgt voor de afbraak van tryptofaan tot kankerverwekkende fenolen.
  • Beta Glucoronidase wordt opgeroepen door eiwitrijk voedsel en zorgt voor hydrolysatie (het in water oplosbaar maken) van geconjugeerde oestrogenen en galzouten (in de lever) waardoor ze de-conjugeren en daarmee weer in de circulatie terugkomen. Dit kan mogelijk een verhoogde kans op borstkanker geven door een overmaat aan de ‘verkeerde’ oestrogenen. Giftige (toxische) galzouten zorgen voor schade aan de darmwand. Dit kan een risico op het lekkende darmsyndroom geven en een toename van allergische reacties).
  • Azoreductase; hydrolyseren (het in water oplosbaar maken) ook galzouten.
  • Nitroreductase; hydrolyseren (het in water oplosbaar maken) de galzouten.
  • Pancreases; breken pancreasenzymen af en die van de intestinale brush border. Dit resulteert in een slechte pancreaswerking, slechte opname van nutriënten en darmslijmvliesschade (mucosale schade). In het ergste geval kunnen de darmvlokken (viili) beschadigd raken en een pseudo-coeliakie ontstaan met een glutengevoeligheid als gevolg.

Leverbelasting en ontstekingen aan de darmwandDe exo- en endotoxines (toxisch = giftig) die ontstaan door een teveel aan schadelijke bacteriën lekken door de darmwand (tight junctions). Dit veroorzaakt ontstekingsschade aan de darmwand en de lever. Als gevolg hiervan kunnen nutriënten uit de voeding niet goed meer worden opgenomen. Dit kan dan weer leiden tot andere vervelende effecten, zoals vermoeidheid, huidklachten, gewrichtsklachten enz. 
Extra werk voor de lever  De lever moet een teveel aan schadelijke bacteriën 'overuren' maken om de gifstoffen die door de darmwand lekken te ontgiften. Veel vrije radicalen komen hierbij vrij, waardoor de gal vol gifstoffen komt. Wat op zijn beurt weer schade geeft aan de pancreas en een te grote doordringbaarheid (hyperpermeabiliteit) van de darm veroorzaakt.
Giftige (toxische) stoffen en toxische galzouten geven een overprikkeling aan de darm (PDS; prikkelend darmsyndroom ) met als gevolg opgeblazen gevoel, pijnklachten, voedselintoleranties e.d.

Lekkende antilichamen vanuit de darm kunnen zich hechten aan gewrichtsspleten en zo ontstekingsreacties geven in de gewrichten. De behandeling met ontstekingsremmers (NSAID’s) maakt in feite het probleem van de lekkende darm alleen maar erger door toename van de ontstekingsreacties van het darmslijmvlies. Het is bekend dat infecties in de darmen met bijvoorbeeld Klebsiella, Salmonella en Yersinia reactieve artritis (gewrichtsontsteking) kunnen veroorzaken. Bacteriële antigenen kunnen dan de bloedstroom in lekken (translocatie) en veroorzaken zo (via immunosensitatie) ontstekingen in de gewrichten. Schimmels Een onderdeel van het ontlastingsonderzoek kan zijn of er sprake is van teveel aan schimmels in de darmflora. De meeste mensen kennen vooral de schimmel Candida albicans. Er zijn nog veel andere belangrijke schimmels, zoals:

Gistschimmels

Candida albicans
Var, stellatoidea
Candida glabrata
Candida guillermondii
Candida krusei
Candida parapsilosis
Candida tropicalis
Trichosporon cutaneum
Sacharomyces cerviciae
Cryptococcus neoformans
Geotrichum candidum

Apathogene schimmels

b.v. Candida utiles (bakkersgist)
Cunninghamella elegans
Huidschimmels

Mikrosporum nanum
Mikrosporum mentagrophytes
Mikrosporum gypseum
Trichophyton tonsurans
Trichophyton schoenleinii
Trichophyton rubrum

Overige

Aspergillus fumigatus
Aspergillus niger
Aspergillus flavus
Alternaria alternata
Mucor species
Rhizomucor pusillus

De uitslag van een ontlastingsonderzoek

Bij de beoordeling van het ontlastingsonderzoek moet met veel componenten rekening worden gehouden. Er kunnen bijvoorbeeld gelijktijdig verschillende verteringsstoornissen optreden. Het kan ook zijn dat er rekening moet worden gehouden met grote beschadigingen in het darmslijmvlies. Er wordt ook gekeken of er sprake is van een teveel aan schimmels.

Darmflora opbouw Vandaar dat het opbouwen van de darmflora -zoals bijvoorbeeld het opheffen van een dysbiose- gepaard gaat met meerdere punten die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Die gelijktijdige aanpak op meerdere fronten zorgt dat de darmflora zo snel mogelijk op orde komt. (de kuur duurt gemiddeld 2 maanden). Enkele onderdelen van deze opbouw zijn:

1. Bestrijding van de 'overall flora depressie' en/of het teveel aan schimmels 'Overall flora depressie' is het verschijnsel dat de darmflora over de gehele linie tekortkomingen vertoont.

Een voedingsbodem maken voor goede aerobe en anaerobe darmbacteriën en het aanvullen van meerdere van deze goede bacteriën. U kunt denken aan het eten van voldoende vezels (groente, fruit) en het innemen van Inuline (zie hierover verderop) en aan het aanvullen van Probiotica (met een samenstelling van die bacteriën die bij u ontbreken dan wel verlaagd zijn.) 2. pH-Herstel of -behoud Door de juiste zuurtegraadwaarden (pH-waarden) in de darm wordt de groei van vooral lichaamseigen anaerobe darmflora gestimuleerd. Daardoor wordt de immunologische rol van de darmflora ondersteund.

Na 6 tot 8 weken is een nieuwe controle voor de ontlasting nodig.

De spijsverteringsenzymen kunnen hierdoor ook beter gaan werken. Tevens wordt het herstel van het darmslijmvlies bereikt. U kunt denken aan speciale voedingsadviezen die nodig zijn voor het bevorderen van de goede aanhechting van de juiste bacteriën en aan preparaten die voor een goede aanhechting van de bacteriën zorgen, of een preparaat met enterococcen en/of escheria coli.3. Vertering ondersteunen Met speciale voedingsadviezen die de vertering ondersteunen of preparaten die dit doen kunt u de vertering verbeteren. Afhankelijk van het teveel van de bacteriesoort(en) kunt u als advies krijgen:

  • Bij de lipolytische soort (bijvoorbeeld Clostridium): hiervoor geldt een vetbeperking.
  • Bij de proteolytische soort (bijvoorbeeld Pseudomonas): hiervoor geldt een eiwitbeperking (voornamelijk dierlijke eiwitten).
  • Bij de saccharolytische soort (bijvoorbeeld bij verlaging van de Bifido en aanwezigheid van schimmels): hiervoor geldt een strenge koolhydraatbeperking.

4. Prebiotica De in de darm levende bacteriën zijn voor een groot gedeelte afhankelijk van voedingsvezels. Er zijn twee soorten vezels: wateroplosbare en niet-wateroplosbare. Onder de wateroplosbare vezels vallen onder andere inuline, pectine en (haver)zemelen. Onder de niet-wateroplosbare cellulose.

De wateroplosbare vezels noemt men gezien zijn chemische structuur niet-zetmeel polysacchariden (NSP's). De dunne darm kan deze groep stoffen niet opnemen (resorberen).  Daardoor staan ze volledig ter beschikking van de darmflora in de dikke darm. Vezels en gezondheidsbevorderende bacteriën De in de darm levende bacteriën zijn voor een groot gedeelte afhankelijk van voedingsvezels. Er zijn twee soorten vezels: wateroplosbare en niet-wateroplosbare. Onder de wateroplosbare vezels vallen onder andere inuline, pectine en (haver)zemelen. Onder de niet-wateroplosbare cellulose.

De wateroplosbare vezels noemt men gezien zijn chemische structuur niet-zetmeel polysacchariden (NSP's). De dunne darm kan deze groep stoffen niet opnemen (resorberen). Daardoor staan ze volledig ter beschikking van de darmflora in de dikke darm. Inuline en de relatie met bifidobacteriën Inuline is in de groep NSP’s een uitgebreid onderzochte stof. Van bifidobacteriën is bekend dat ze over enzymen beschikken die geschikt zijn voor de hydrolyse (het in water oplosbaar maken) van inuline. Inuline komt voor in artisjokken, cichorei, aard-peer, zoete aardappelen en bananen. De bifidobacterie en andere groepen gezondheidsbevorderende bacteriën worden gestimuleerd door NSP.  

Bifidobacteriën: voor uw gezondheid De bifidobacteriën (melkzuur bacteriën) hebben de volgende positieve effecten op de gezondheid:

  • Ze produceren B-vitamines .
  • Ze gaan allergieën tegen. De microbiële stofwisseling in de dikke darm zet inuline om in onder andere kortketenige vetzuren zoals acetaat, propionaat en butyraat. Deze stoffen komen de rode bloedlichaampjes (erytrocyten) in de dikke darm ten goede. Door een tekort aan erytrocyten, neemt de doorgangbaarheid van de darmen (darmpermeabiliteit) toe, wat allergieën en voedingsintoleranties uitlokt. 
  • Ze belemmeren de groei van Clostridium en andere ongewenste micro-organismen. Door een te eenzijdige voeding met gebrek aan ballaststoffen loopt het aantal bifidobacteriën terug. Deze groep is namelijk sterk afhankelijk van NSP’s als voedingsbron. Via ontlastingsonderzoek is dit effect aan te tonen. Het gevolg hiervan is dat Clostridium bacteriën zich kunnen vermenigvuldigen. De stofwisselingsproducten van deze bacteriën hebben zoals eerder al beschreven een negatief effect op het darmmilieu. De ontlasting wordt basisch en er ontstaat ammoniak (dat de lever belast) bij de eiwitstofwisseling. Daarbij worden voorwaarden gecreëerd die de huisvesting van ziekmakende (pathogene) bacteriën bevordert. Ook de galzouten worden dan ontoereikend opgenomen waardoor de galproductie ter compensatie moet toenemen. Dit maakt de kans op galsteenvorming groter. Nog dramatischer zijn de veranderingen die onder invloed van de NDH-clostridiumgroep (*Nuclear Dehydrogenetaing Clostridia) optreden. Deze bacteriën zijn in staat galzuren om te zetten in kankerverwekkende (carcinogene) stoffen. Dit proces kan op de langere termijn darmkanker (coloncarcinomen) veroorzaken. 
  • Ze geven minder belasting voor nieren en lever. Door een verhoogd aantal bifidobacteriën in het lichaam (dankzij de inname van inuline) ontstaat er een grotere bacteriële omzetting van stikstof. De bacteriële binding aan stikstofmetabolieten levert een hogere stikstofuitscheiding op, waardoor er minder ammoniak gevormd kan worden. Een teveel aan ammoniak geeft o.a. hoofdpijn, vermoeidheid, suffigheid, jeuk. Het toegenomen aantal melkzuurbacteriën zorgt voor aanzuring van de darmlumen. De verhouding ammoniak-ammonium verschuift daardoor naar ammonium. Ammonium is nauwelijks opneembaar en verlaat via de ontlasting het lichaam. De lever en de nieren profiteren hiervan en worden minder belast. 
  • Het geeft een daling van cholesterol. De aanzuring van de darmlumen door de melkzuur producerende bifidobacteriën verklaart ook de cholesterolverlaging door het gebruik van inuline. Daarbij bindt inuline triglyceriden, fosfolipiden, vrije vetzuren en cholesterol aan zich, waardoor deze stoffen gebonden via de ontlasting het lichaam verlaten. U merkt dit door een afname van vermoeidheid en een verbeterd prestatievermogen.
  • Inuline zet de darmen in beweging. Inuline is niet alleen een weldaad voor de darmbacteriën. Ook bij overgewicht is de inname van inuline aan te bevelen. Door de waterbindende capaciteit van inuline neemt het verzadigingsgevoel toe en de maaglediging wordt vertraagd. Inuline stabiliseert glucoseschommelingen in het bloed, waardoor vetopslag en hongergevoelens worden geremd. Bij obstipatie biedt inuline een veilige en effectieve oplossing.
    Een verbetering van de darmfunctie kan bij ernstige ontregelde darmen pas na 8 tot 16 weken optreden
    Antrachinonderivaten zoals Senna producten zijn op de lange termijn schadelijk voor de darmen en de darmlumen. Ook is een steeds hogere dosering nodig om resultaat op te leveren. Inuline heeft deze effecten niet en kan langdurig ingenomen worden. Bij het gebruik van inuline neemt het volume van de ontlasting toe. Door de volumevergroting neemt de darmperistaltiek toe. Ook wordt de ontlasting zachter. Inuline kan bepaalde verteringsenzymen binden, waardoor de voedingsstoffen optimaal beschikbaar komen. De verbeterde efficiëntie van de spijsverteringsenzymen ontlasten de pancreas en de gal. Een aangesterkte ‘melkzuurflora’ verbetert de tolerantie van lactose. Door het gebruik van pre- en of probiotica is het vaak mogelijk een lactose intolerantie af te bouwen. Door het gebruik van inuline neemt de snelheid van de passage van de voeding toe. Hoe hoger het gewicht van de ontlasting, hoe korter deze in de darmen verblijft. Door de kortere passagetijd is het contact met giftige (toxische) en kankerverwekkende (carcinogene) stoffen minimaal, het maakt hierbij niet uit of deze stoffen in de voeding zitten of ontstaan als bijproduct van de stofwisseling. Daarbij hebben wateroplosbare ballaststoffen door hun grote oppervlakte een hoog bindingsvermogen aan kationen. Belasting door zware metalen wordt hierdoor verminderd. Inuline inname bij diabetici zorgt voor een vertraagde afgifte van de in de voeding aanwezige koolhydraten. Onderzoek geeft aan dat de glucosetolerantie verbetert, de glucose uitscheiding via de nieren vermindert en er een afname van de HbA1 waarde optreedt. 
  • Het remt bacteriën die in staat zijn nitraten om te zetten in potentieel gevaarlijke nitrieten.

Probiotica Naast inuline en probiotica zijn ook de lactobacillen van groot belang. Kort samengevat hebben ze de volgende eigenschappen:

  • Ze gaan de aanhechting of groei van ziekmakende (pathogene) bacteriën in de ingewanden tegen, wat hun vermogen om het maag-darmkanaal te koloniseren reduceert.
  • Ze produceren bacteriedodende metabolieten waaronder H2O2.
  • Ze belemmeren de verplaatsing van ziekmakende bacteriën langs de darmwanden. 
  • Ze bevorderen de afbraak van de door ziekmakende bacteriën geproduceerde giften (zoals carcinogene amines).
  • Ze zorgen voor de opname van nitriet, waardoor de vorming van schadelijke amines voorkomen wordt.
  • De schadelijke enzymactiviteit (zie boven) van de bacteriën neemt af.
  • Met name de bifido is in staat moeilijk verteerbare koolhydraten (oligosacharides) te fermenteren waardoor korte ketenvetzuren ontstaan die de darmperistaltiek bevorderen.
  • Lactobacillen hebben het vermogen om de inwerking van microbiele toxinen te verhinderen door de toxinereceptoren van de gastheer enzymatisch te veranderen. Competitie om plaatsen op het darmepitheel en beschikbare voedingsstoffen spelen hierbij een rol. 
  • Lactobacillen geven een verlaging aan Enterococcen overgroei en Clostridium overgroei.
  • Lactobacillen completeren de afbraak van voedselallergenen (bijvoorbeeld koemelk-caseïnen). Hierdoor worden immuunreacties tegen voedselallergenen onderdrukt en dat geeft ook een vermindering van ontstekingsreacties (down-regulatie van een immuunrespons).
  • Lactobacillen verlagen de urease-activiteit in de darmen (geeft verbeteringen bij artritis).
  • Lactobacillen hebben een hoge Beta-galactosidase-activiteit die de aanwezige lactose in de melk of yoghurt kunnen omzetten in glucose en galactose. (meting hoeveelheid geproduceerd waterstofgas geeft aan hoeveel lactose er omgezet kan worden. Hoge metingen geven lactose-intolerantie aan).
  • Ze geven een verhoogde IgA -immuunrespons, waardoor de immunologische barrière toeneemt.
  • Ze produceren antilichamen en verhogen ook de stimulatie van fagocyten die essentieel zijn voor het goed functioneren van het immuunsysteem.
  • Ze helpen bij de assimilatie van cholesterol.
  • Ze maken lactase vrij, het enzym dat voor de afbraak van melklactose zorgt.
  • Ze vertonen uitgesproken anti-microbische activiteiten tegen organismen zoals C. difficile, Candida albicans, E. colli, Pseudomonas aeruginosa, Salmonella typhimurium, Staphylococcus aureus, Heliobacter pylori.
  • De her-kolonisatie van de juiste microflora verloopt vlotter na het gebruik van een antibioticakuur waardoor het risico voor overgroei van de schadelijke wordt voorkomen.

Tumor M2 -PK Test in de ontlasting. Deze test uit de faeces is om vroegtijdige darmkanker op te sporen. Met 30.000 patiënten jaarlijks die overlijden aan darmkanker staat deze op de tweede plaats als soort carcinoom met fatale afloop . Bij een tijdige herkenning en behandeling is het genezingspercentage groot. De meting van tumor M2-Pk is niet afhankelijk van het aantonen van occult bloed in de ontlasting. Calprotectinetest in de ontlasting

Calprotectine is een eiwitcomplex met antibacteriële eigenschappen. Calprotectine ontneemt de bacteriën de moelijkheid om zich te ontwikkelen. Calprotectine wordt uitgescheiden bij ontstekingsreacties van neutrofiele granulocyten, macrofagen en keratincyten. Het is een test die kan differentiëren tussen een chronische ontsteking, intenstinale ziekten en geïrriteerd colon syndroom. Deze test heeft ook eenhoge sensitiviteit in het detecteren van colon-rectale carcinomen en poliepen. Calprotectine en M2-PK kunnen beïnvloed worden door parasieten. Calprotectine is een ontstekingsmarker voor de darmen. Het is logisch dat deze parameter verhoogd wordt bij parasitaire infecties. De M2-PK kan ook verhoogd aanwezig zijn in het geval van een gluten-enteropathie. Vroegdiagnostiek geeft de mogelijkheid om de voedingsadviezen nog meer op maat te maken. De natuurdiëtisten kunnen u hierbij helpen.

U kunt nog veel meer lezen over hoe u zelf kunt werken aan herstel van diverse maag-darmklachten met verschillende typen diëten, meditaties, kruiden en supplementen, in het boek 'Ik heb er mijn buik vol van - het maag-darm herstelplan' (uitgeverij Schors)

Gezondheid algemeen
Vond u deze informatie nuttig? Lees dan alstublieft de persoonlijke oproep van Marijke de Waal Malefijt, oprichtster van Natuur Diėtisten Nederland