skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1500 artikelen over gezondheid!

Medicatie en kruiden interacties

Voor een tiental kruidenpreparaten is op basis van klinische onderzoeken bekeken hoe groot de gezondheidsrisico’s zijn.
Top 10 van kruiden met mogelijk risico bij gelijktijdig gebruik met geneesmiddelen (samengesteld door RIVM in opdracht van NVWA) zijn:
1. Amerikaanse ginseng (Panax quinquefolius)
2. Danshen of rode salie (Salvia miltiorrhiza)
3. Geelwortel of kurkuma (Curcuma longa)
4. Ginkgo of Japanse notenboom (Ginkgo biloba)
5. Groene thee (Camellia sinensis)
6. Knoflook (Allium sativum)
7. Mariadistel (Silybum marianum)
8. Sint-janskruid (Hypericum perforatum)
9. Valeriaan (Valeriana officinalis)
10. Zonnehoed

Kruidenpreparaten kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze een remmend effect hebben op diverse CYP enzymen, waaronder cytochroom P450 (CYP)-3A4.

Zo zijn voor Sint-Janskruid ernstige interacties beschreven. Preparaten met Sint-Janskruid kunnen bijvoorbeeld de werking remmen van chemotherapie. Daarnaast zijn mogelijke effecten op de bloedstolling gevonden voor kruidenpreparaten met Amerikaanse ginseng, danshen, ginkgo, geelwortel en knoflook. Bij gebruik van kruidenpreparaten in combinatie met geneesmiddelen wordt geadviseerd om advies in te winnen bij arts of apotheker.

Het Warenwetbesluit Kruidenpreparaten (ook wel Kruidenbesluit) stelt regels voor het gebruik van kruiden in levensmiddelen zoals voedingssupplementen. Het Kruidenbesluit regelt ook het gebruik van kruiden in huidsmeersels die niet onder de cosmeticawetgeving vallen. Kruiden die in de keuken worden gebruikt om gerechten meer smaak te geven, vallen niet onder het Kruidenbesluit.

Cytochroom P450 (CYP 450)

Voordat een geneesmiddel uit het lichaam uitgescheiden kan worden, moet het eerst omgezet worden en aan water worden gebonden in o.a. de lever. Deze omzetting (metabolisme) van geneesmiddelen vindt plaats in twee fasen. Het doel van de reactie in de eerste fase is om het molecuul gereed te maken voor een fase twee reactie.

In de fase twee reactie wordt het molecuul wateroplosbaar gemaakt, zodat het via de nieren of de gal uitgescheiden wordt. Metabolisme (verwerking) van geneesmiddelen vindt hoofdzakelijk plaats in de lever, maar ook andere organen zoals huid, longen, maagdarmsysteem, bloed, hersenen en nieren kunnen erbij betrokken zijn.

Een bepaalde enzymgroep (P450) in het endoplasmatisch reticulum van o.a. lever-, nier-, long- en darmcellen, houdt zich vooral met deze klus bezig. Het cytochroom-P450 (CYP) enzymsysteem van de lever is betrokken bij het metabolisme en de eliminatie van bijna alle reguliere geneesmiddelen, maar ook van alternatieve geneesmiddelen (zoals vitaminesupplementen, kruiden, etc.). De capaciteit van het systeem verschilt van persoon tot persoon. Dit leidt ertoe, dat niet iedereen op een bepaalde dosis van een (genees)middel hetzelfde reageert.

Cytochroom P450 (CYP 450) is een enzymgroep die uit circa vijftig verschillende enzymen bestaat. De enzymen zijn ingedeeld in families en subfamilies op basis van hun aminozuurstructuur. De nomenclatuur bij de naamgeving is als volgt: voor bijvoorbeeld het enzym CYP3A4 beschrijft de 3 de familie, A de subfamilie en 4 het individuele gen. Soms is er op internet bij de beschrijving van medicatie de mate van belasting voor de diverse CYP enzymen te vinden.

We noemen een aantal bekende enzymen waar onderzoeksgegevens over bekend zijn. De CYP450 enzymen CYP1A2, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6 en het al genoemde CYP3A4 zijn de belangrijkste enzymen in het metabolisme van geneesmiddelen. Dit laatste enzym neemt ca. 40-50% van alle geneesmiddelen voor zijn rekening.

Interacties

Hieronder gaan we dieper in op welke interacties er met de genoemde kruiden plaats vinden. Gingseng, salvia, knoflook– Kruidenpreparaten met Amerikaanse ginseng en danshen (Salvia miltiorrhiza= rode salie ) en knoflook hebben een effect op de bloedstolling en kunnen de werking van de bloedverdunner warfarine beïnvloeden. Bij knoflook zijn klinisch relevante interacties gevonden bij HIV-middelen en oncolytica. Geelwortel– Kruidenpreparaten met geelwortel kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze:
1) de intracellulaire signaalroute activeren,
2) de transporter van het borstkankerresistentie-eiwit (BCRP) remmen
3) via een onbekend mechanisme de plasmaspiegel van talinolol verlagen. Uit onderzoek blijkt dat geelwortel een effect op de biobeschikbaarheid van sulfalazine hebben.

Er zijn geen klinische relevante effecten gevonden op de plasmaspiegels en metabolietpatronen van de geneesmiddelen midazolam, flurbiprofen en paracetamol als gevolg van het gelijktijdig gebruik met geelwortel. Ginkgo– Kruidenpreparaten met ginkgo hebben een effect op de bloedstolling. Verder kunnen kruidenpreparaten met ginkgo een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze een remmend effect hebben op cytochroom P450 (CYP)2C9, CYP2C19 en CYP3A4, maar ook een inducerend effect op CYP2C9, CYP2C9 en CYP3A4, afhankelijk van het kruiden-preparaat.
Groene thee– Kruidenpreparaten met groene thee kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze
1) een remmend effect hebben op CYP3A4,
2) de geneesmiddeltransporteiwit OATP1A2 remmen en
3) via een onbekend mechanisme een effect hebben op de absorptie van foliumzuur. Groene theepreparaten lijken een remmer te zijn van het geneesmiddel-transporteiwit OATP1A2 in de darmen.

Een interactie zou dus kunnen optreden bij geneesmiddelen die in de darmen actief worden opgenomen door OATP1A2. Remming van het geneesmiddel-transporteiwit kan dan leiden tot een lager biobeschikbaarheid van het geneesmiddel.
Mariadistel– Kruidenpreparaten met mariadistel kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze:
1) een verlagend effect op de bloedsuikerspiegel hebben,
2) een remmer zijn van cytochroom P450 (CYP) 2C9 en
3) via onbekende mechanismen de plasmaspiegels van talinolol verhogen, de blootstelling aan de actieve metaboliet SN-38 van irinotecan verlagen en de blootstelling aan metronidazole verlagen.

Mariadistel en middelen die worden gebruikt om bloedsuikerspiegels te verlagen wordt afgeraden vanwege het verlagende effect op de bloedsuikerspiegels van kruidenpreparaten met mariadistel. Verder lijken kruidenpreparaten met mariadistel een remmend effect te hebben op CYP2C9.
Sint-Janskruid– Kruidenpreparaten met sint-janskruid kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze:
1) cytochroom P450 (CYP)-enzymen induceren,
2) het geneesmiddel-transporteiwit P-glycoproteïne induceren en
3) de heropname van neurotransmitters in de hersenen remmen.

Een remmend effect op de heropname van neurotransmitters kan leiden tot hogere concentraties van neurotransmitters in de hersenen dan gewenst. Een te hoge concentratie neurotransmitters kan ernstige gevolgen hebben, zoals het optreden van het serotonerg syndroom in geval van een te hoge concentratie serotonine.

Kruidenpreparaten met sint-janskruid kunnen leiden tot inductie van CYP2C19, CYP2E1, CYP3A4 en P-glycoproteïne. Dit kan er toe leiden dat de plasmaspiegels van geneesmiddelen die door deze enzymen worden gemetaboliseerd, worden verlaagd.

Sint-janskruid en het gebruik van kruidenpreparaten met sint-janskruid moeten worden gestaakt of niet worden gestart bij: antimycotica voor systemisch gebruik, antivirale middelen voor systemisch gebruik, oncolytica en immunosuppressiva.
Valeriaan– Kruidenpreparaten met valeriaan kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze een remmend effect hebben op cytochroom P450 (CYP)-3A4. Valeriaan kan symptomen van angst reduceren en daardoor mogelijk de effecten van synthetische sedativa versterken bij gelijktijdig gebruik.
Zonnehoed– Kruidenpreparaten met zonnehoed (Echinacea purpurea, Echinacea angustifolia en Echinacea pallida) kunnen een effect hebben op de hoeveelheid van een geneesmiddel in het lichaam omdat ze een remmend effect hebben op cytochroom P450 (CYP)-1A2, -CYP2C9 en -CYP3A4 in de darmen maar ook een inducerend effect op CYP3A4 in de lever.

Dit kan als gevolg hebben dat de plasmaspiegel van een geneesmiddel hoger of lager wordt afhankelijk van welke CYP betrokken is. Er zijn echter geen klinisch relevante effecten gemeld als gevolg van het gelijktijdig gebruik van kruidenpreparaten met zonnehoed en geneesmiddelen.

Voorzichtigheid is geboden bij valeriaan in combinatie met geneesmiddelen met een smal therapeutisch raam en een lage biobeschikbaarheid door CYP3A4-metabolisme in de darmen (bijvoorbeeld verapamil, cyclosporine en tacrolimus).

Meer informatie over de interacties tussen de 10 kruidenpreparaten en geneesmiddelen is te vinden in het dossier Voedingssupplementen en kruidenpreparaten van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

Nog meer medicatie nieuws: NA4AF in de urine

Paracetamol (chemische benaming N-acetyl-4-aminofenol of NA4AF) en aspirine worden veel gebruikt als pijnstiller. Onderzoekers van de Duitse universiteit van Bochum vonden vaak NA4AF aan in de urine van de Duitse bevolking. Een zorgwekkend bericht omdat er sterke vermoedens zijn dat NA4AF een risicofactor is voor mannelijke ontwikkelingsstoornissen.

Pijnstillers zijn niet de enige bron van NA4AF, aldus dit Duitse onderzoek. Veeartsen dienen ook paracetamol toe aan (pluim)vee, dus vlees is ook een bron. Volgens een analyse van 2002 zit er geen NA4AF in vlees. Een analyse van 2012 liet wel sporen van NA4AF in urine zien. Wat is dan de bron?
Aniline Aniline is een grondstof voor de productie van rubber en pesticiden. Aniline wordt in het lichaam omgezet naar NA4AP. Aniline en afgeleiden worden toegepast als kleurstof in de voeding, cosmetica en textiel. Ook tabaksrook bevat aniline. Dat aniline en afgeleiden inderdaad in 90 % van de urinemonsters van de Duitse bevolking wordt aangetroffen, bevestigt de hypothese dat een groot deel van NA4AF afkomstig moet zijn van aniline.

Paracetamol wordt massaal gebruikt, maar er is relatief weinig bekend over de farmacologie van deze stof. Concentraties in de urine kunnen schommelen tussen 8,7 tot 22.120 µg/l, gemiddeld 60 µg/l. NA4AF uit pijnstillers geven een concentratie van 4000 µg/l na 36 uur vanaf inname; acute concentraties van bijna 1 g/l (1.000.000 µg/l) komen soms ook voor. Maar hoge concentraties wordt ook gevonden bij mensen die geen pijnstillers nemen.

Van paracetamol is bekend dat het een risicofactor vormt voor mannelijke ontwikkelingsstoornissen omdat het de productie van testosteron remt. Enkele studies tonen een relatie tussen gebruik van pijnstillers tijdens zwangerschap en niet-ingedaalde testikels. Paracetamol kan dus ‘endocriene verstoringen’ geven.

Zwangere vrouwen nemen pijnstillers bij hoofdpijn, in mindere mate bij spierpijn en verkoudheid. Volgens enquêtes neemt 30 tot 57 % van de moeders een of andere pijnstiller.

Paracetamol komt snel in de foetus en in de moedermelk terecht. Andere ongewenste zwangerschapseffecten zijn:
– zwangerschapsvergiftiging (verhoogde bloeddruk, pre-eclampsie),
– longembolie en
– trombose (Rebordosa 2010).

Bevolkingsstudies suggereren dat gebruik van pijnstillers allergie (Beasley 2008), astma en nierschade (Yue 2014) bij kinderen veroorzaakt. Bij volwassenen zijn vermoedens van verhoogd cardiovasculair risico vastgesteld (Hinz 2012).

Marijke de Waal Malefijt

Literatuur en links:

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA)

Beasley R, Clayton T, Crane J et al. Association between paracetamol use in infancy and childhood, and risk of asthma, rhinoconjunctivitis, and eczema in children aged 6-7 years: analysis from Phase Three of the ISAAC programme. Lancet. 2008 Sep 20;372(9643):1039-48

Hinz B, Brune K. Paracetamol and cyclooxygenase inhibition: is there a cause for concern? Ann Rheum Dis. 2012 Jan;71(1):20-5

Modick H, Weiss T et al. Ubiquitous presence of paracetamol in human urine: sources and implications. Reproduction. 22 januari 2014

Rebordosa C, Zelop CM et al. Use of acetaminophen during pregnancy and risk of preeclampsia, hypertensive and vascular disorders: a birth cohort study. J Matern Fetal Neonatal Med. 2010 May;23(5):371-8

Sudano I, Flammer AJ et al. Acetaminophen increases blood pressure in patients with coronary artery disease. Circulation. 2010 Nov 2;122(18):1789-96

Yue Z, Jiang P et al. Association between an excess risk of acute kidney injury and concomitant use of ibuprofen and acetaminophen in children, retrospective analysis of a spontaneous reporting system. Eur J Clin Pharmacol. 2014 Jan 21. [Epub ahead of print]

Meer is te lezen over medicatieverwerking in de lever en effecten op de diverse constituties in de boeken hieronder:

Privacy instellingen

We gebruiken cookies om ervoor te zorgen dat onze website zo soepel mogelijk draait. In de instellingen kunt u zelf kiezen welke cookies u wilt toestaan of wilt weigeren.

Privacy verklaring | Sluit
Instellingen