skip to Main Content
Groot kenniscentrum met meer dan 1000 artikelen over gezondheid!

U vindt in dit artikel een opsomming van diverse stoffen die in voedingsproducten voorkomen die de gezondheid bevorderen. Meer over deze stoffen kunt u ook lezen in de boeken over ‘Voeding en kanker’.

Broccoli en kiemgroenten zitten vol met sulforafaan

Een nieuwe variant binnen de productgroep kiemgroenten is Brocco: één product in twee verschillende vormen: BroccoSprout en BroccoCress. BroccoCress is de groene variant van BroccoSprouts Het is een aanvulling op de reeds bestaande microgroenten als tuinkers, Daikon Cress en Rucola Cress.
Microgroenten zijn bekend vanwege de heel aparte smaak, de hoge decoratieve waarde, een intensieve geur en kankerwerende stoffen. Andere bekende kiemgroenten zijn taugé, alfalfa en radijssprouts. Sprouts hebben een intensieve smaak en zijn ook zeer gezond. BroccoCress en BroccoSprouts hebben een frisse milde broccolismaak. Het past in salades, op een boterham met beleg, bij visgerechten en in soep.

In 1992 ontdekte Dr Talalay van de John Hopkins medische universiteit in Baltimore, USA de hoge concentratie van de stof sulforaphane glucosinolate in broccoli. Dr Talalay en zijn medisch team testten honderden broccoliplanten en selecteerden uiteindelijk vijf planten met de hoogste concentratie aan sulforaphane. Bij het onderzoek werd duidelijk dat vooral hele jonge rassen een aanzienlijk hoger aandeel van de stof bevatte. Slechts de zaden van deze vijf planten mogen als BroccoSprouts en BroccoCress op de markt gezet worden met een gemiddeld 30 keer hogere concentratie van sulforaphane in zich dan een struik broccoli. Kruisbloemige groenten Sulforafaan komt voor in kruisbloemige groente zoals broccoli, andere koolsoorten en radijs. Zijn voorloper, sulforafaan glucosinolaat (SGS), werkt als een indirecte antioxidant. Dit houdt in dat deze stof, anders dan directe antioxidanten zoals vitamine E en C en bètacaroteen, de vrije radicalen niet rechtstreeks neutraliseert. Indirecte antioxidanten induceren (ofwel: stimuleren) de activiteit van de fase-2 ontgiftingsenzymen.

Dr. Talalay: “Deze enzymen fungeren als verdedigingsmechanisme. Ze induceren een brede antioxidantactiviteit die zich voortdurend herhaalt, waardoor een groot aantal vrije radicalen wordt geneutraliseerd voordat ze de celschade kunnen veroorzaken die kan leiden tot mutaties en daardoor tot kanker.”

Verder zegt Dr. Talalay dat de effecten van deze indirecte antioxidanten voortduren ook nadat ze het lichaam verlaten hebben. Dit in tegenstelling tot rechtstreekse antioxidanten, die maar één radicaalmolecuul tegelijk kunnen elimineren en daarbij vernietigd worden. Indirecte antioxidanten hebben langdurig effect en zetten een doorlopend proces in gang, dat dagenlang actief en effectief blijft.

Octrooien

Het SGS-gehalte van volgroeide broccoli varieert sterk. De onderzoekers ontdekten dat het onder zorgvuldig gestandaardiseerde omstandigheden mogelijk is om uit het zaad van bepaalde broccolisoorten broccolikiemen met een constant hoog SGS-gehalte te produceren. Ze constateerden dat ongeveer 30 gram van deze speciale kiemen evenveel SGS bevat als 600 g volgroeide, gekookte broccoli (20 keer zo veel). De Johns Hopkins University School of Medicine heeft voor de ontdekking van deze SGS-rijke broccolikiemen drie octrooien verkregen en een licentie verleend zodat broccolikiemen onder strikt gecontroleerde omstandigheden kunnen worden gekweekt om te waarborgen dat ze een optimaal SGS-gehalte bevatten. Deze broccolikiemen zijn nu dus ook in Nederland verkrijgbaar onder de merknaam BroccoSprouts en BroccoCress.

Broccoli en prostaatkanker

De groei van prostaatkankercellen zijn tegen te gaan door het eten van broccoli, broccoli spruiten en broccoli cress. De stof indole-3-carbinol komt vrij bij de vertering van broccoli en houdt de groei van prostaat kanker tegen.

Tijdens de vertering van groene groenten zoals broccoli, Chinese kool, bloemkool, spruitjes komt er een chemische stof vrij. Onderzoek duidt aan dat deze stof de groei van prostaatkanker zou kunnen remmen. Broccoli, spruiten, groene kolen en bloemkool zijn rijke bronnen aan de stof indole-3-carbinol (I3C),. Het lichaam zet deze stof dan weer verder om in 3.3-diindolylmethaan (DIM) tijdens het verteringsproces.

DIM

DIM werkt als een sterk antiandrogeen dat de verspreiding van menselijke prostaatkankercellen in vitrotest tegenhoudt. Geslachtshormonen zijn noodzakelijk voor het normaal functioneren van de prostaat. Ze spelen echter ook een grote rol in het beginstadium van prostaatkanker. Prostaatkanker wordt in de beginfase voornamelijk behandeld met anti-androgene medicijnen. In latere stadia van de ziekte ontwikkelen de kankercellen een resistentie tegen androgenen.

Wetenschappers hebben de effecten van DIM op androgeenafhankelijk menselijke prostaatkankercellen en op kankercellen die onafhankelijk zijn van androgenen bekeken. Men ontdekte dat androgeen afhankelijke kankercellen die behandeld werden met een oplossing van DIM 70% minder groeiden dan de onbehandelde cellen. Onafhankelijk androgene kankercellen werden niet beïnvloed door DIM.

Verdere testen toonden aan dat DIM de werking van dihydrotestosteron (DHT) tegenhoudt. DHT is een primair androgeen dat een rol speelt bij prostaatkanker. DHT werkt door stimulatie van de hoeveelheid aan Prostaat Specifieke Antigeen (PSA). PSA fungeert als een groeifactor voor prostaatkanker. Wanneer androgeen afhankelijke cellen werden behandeld met DIM, daalde de hoeveelheid PSA. Het lijkt erop dat DIM functioneert op een genniveau.

Eerder onderzoek heeft al aangetoond dat bovengenoemde stoffen ook een mogelijk therapeutische werking hebben tegen borst- en endometrium kankers.

Chemotherapie en antioxidanten

Kunt u anti-oxidanten nu wel of niet bij chemotherapie inzetten? De meningen over de effecten van antioxidanten bij een chemokuur lopen behoorlijk uiteen.
Volgens sommigen is het geven van antioxidanten van negatieve invloed op de effectiviteit van chemotherapie omdat deze stoffen de reactieve zuurstofvormen (ROS, Reactive Oxygen Species) zouden wegvangen. ROS vormen juist een onderdeel van de werking van chemotherapeutische medicijnen. Volgens anderen hebben antioxidanten een positieve werking omdat ze de toxiciteit van chemotherapeutica verminderen, waardoor deze langer zonder onderbreking kunnen worden gebruikt en de dosis niet zo snel hoeft te worden verlaagd.

Literatuurstudie

Om meer duidelijkheid te krijgen over welke rol het suppleren van antioxidanten nu precies speelt bij het combineren bij een chemotherapie hebben wetenschappers van het Amerikaanse Institute for Integrative Cancer Research and Education een literatuurstudie verricht. In totaal werden 19 gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken bekeken.
In de meeste gevallen betrof het patiënten bij wie de ziekte in een gevorderd stadium was of die een terugval hadden. In deze onderzoeken werden de volgende antioxidanten toegepast: glutathion (7), melatonine (4), vitamine A (2), een antioxidant complex (2), vitamine C (1), N-acetylcysteïne (1), vitamine E (1) en ellaginezuur (1).

Anti-oxidaten gunstig bij chemotherapie?

In geen van de onderzoeken werd een opvallende vermindering van de werking van chemotherapie met gelijktijdig suppletie van antioxidanten gevonden. Antioxidanten suppletie bleek in veel studies of de overleving te verlengen, of de tumorrespons te verbeteren, of beide. Ook werd minder toxiciteit waargenomen dan bij de controlegroepen.
De onderzoekers merkten wel op dat de statistische bewijskracht in al deze onderzoeken ietwat beperkt is. Ze pleiten daarom voor grootschalige, goed opgezette studies over dit onderwerp.

Vitamine E en chemotherapie

Toepassing van chemotherapie kan tot een aantal bijwerkingen leiden. Eén van deze bijwerkingen is beschadiging van zenuwen, neuropathie genaamd. De klachten die bij neuropathie optreden zijn met name gevoelsstoornissen en prikkelingen. In dit onderzoek is onder 31 vrouwen die behandeld werden met cisplatin, paclitaxel of een combinatie van beide geneesmiddelen gekeken of inname van vitamine E als supplement (600 mg per dag) de kans op deze bijwerking verminderde.

Zestien vrouwen gebruikten gedurende de chemotherapie en 3 maanden daarna vitamine E, 15 vrouwen vormden de controlegroep. Aan het eind van de studie bleek dat bij 25% van de vrouwen die vitamine E gebruikt hadden neuropathie te zijn opgetreden. In de controlegroep was dit maar liefst 73%. Dit betekent dat de kans om neuropathie te ontwikkelen in de vitamine E-groep 66% kleiner was dan in de controlegroep. Vitamine E kan een belangrijk hulpmiddel zijn om deze invaliderende bijwerking van chemotherapie te voorkomen.

Chlorella als extra groen hapje

Chlorella pyrenoidosa en chlorella vulgaris behoren tot de eencellige groene zoetwateralg. Algen bestaan al sinds het Precambrium op aarde, meer dan 2,5 miljard jaar geleden. Het is de eerste bekende vorm van plantaardig leven met een echte celkern. Chlorella is een basisch voedingssupplement dat we onder de ‘greens’ kunnen scharen. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld ook spirulina, havergras, tarwegras en alfalfa. Chlorella bestaat voor meer dan 60% uit plantaardige proteïnen.
Chlorella bevat van nature de volgende voedingsstoffenVitamines en antioxidanten:

  • Alle B vitaminen, vitamine C, vitamine E, carotenoïden (betacaroteen en luteïne) (2, 25)
  • Mineralen: zink, calcium, koper, ijzer, jodium, magnesium, kalium, natrium.
  • Aminozuren:
    a) essentieel: isoleucine, leucine, lysine, methionine, fenylalanine, treonine, tryptofaan, valine
    b) niet essentieel: alanine, arginine, asparaginezuur, cystine, glycine, glutaminezuur, histidine, ornithine, proline, serine en tyrosine.
  • Omega 3 vetzuren.
  • Ook bevinden zich in chlorella pigmenten zoals chlorofyl, nucleïnezuren, groeifactoren, vezels en enzymen.

Immuunversterkend
De celwand van chlorella zet, samen met de Chlorella Groei Factor, witte bloedcellen aan tot de productie van interferon. Dit heeft een immuunstimulerend effect op T-cellen en macrofagen (1,3,4,23). Bovendien stimuleert chlorella de groei van Lactobacillus, een dikke darmbacterie, waardoor de darmflora verbetert en daarmee ook het immuunsysteem. Probiotische darmbacteriën hebben tevens een beschermende werking op de darmwand.
De unieke celwand structuur van chlorella heeft immuunversterkende eigenschappen. Deze celwand bestaat uit complexe polysachariden, die interferonproductie kunnen verhogen en een sterke anti-tumor activiteit laten zien (11,21,22,23,24).
Ook de basische invloed van chlorella draagt bij aan een verbetering van het immuunsysteem door het herstellen van de zuur-base balans in het lichaam. In chlorella is recentelijk nog een immuunstimulerende substantie gevonden: chlorellan. Chlorellan verhoogt eveneens de interferon productie.

Chlorella stimuleert het immuunsysteem en ondersteunt het lichaam in de strijd tegen virussen, verhoogt macrofagen activiteit, activeert B-cellen en T-cellen en laat in diverse studies anti-tumoreffecten zien (8,10,15,16,18,19,21). Het kan ondersteuning bieden bij chemotherapie en bestraling. Chlorella verhoogt het aantal rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes en albumine. Deze laatste stof is belangrijk omdat mensen met kanker veelal een verlaagd albumine-gehalte laten zien en dit correleert met een slechte prognose (20).
Chlorella als extra voeding

Begin voorzichtig met 1 theelepel (eventueel langzaam opvoeren naar 1 eetlepel per dag of meer) door vers geperste groetensap (met pulp).
Het advies is om de dosering langzaam op te voeren en de ontlasting in de gaten te houden. Omdat chlorella kan resulteren in milde diarree bij sommige gevoelige personen, wordt geadviseerd om langzaam te beginnen. Het lichaam heeft een periode van een paar weken nodig om aan chlorella te wennen. De ontlasting zal groen kleuren. Dit is een indicatie dat de hoeveelheid chlorella genoeg is. Als de ontlasting niet groen is, mag de dosering opgevoerd worden.

Darmkanker & Westerse voeding

Een Westerse voeding met vlees, vet, geraffineerde granen en desserts geven een slechte prognose van mensen met darmkanker. Dit blijkt uit een Amerikaans onderzoek onder 1000 mensen met darmkanker. Groenten, fruit, kip, kalkoen en vis is gezonder.

Een Westerse voeding verslechtert de prognose van patiënten die van
darmkanker zijn genezen. Deze voeding, gekenmerkt door veel vlees, vet, geraffineerde granen en desserts, gaat gepaard met een ruim 2 keer zo grote kans om binnen 5 jaar na behandeling te overlijden. Dit blijkt uit Amerikaans onderzoek onder ruim 1000 darmkankerpatiënten, gepubliceerd in Journal of the American Medical Association. Darmkankerpatiënten kunnen volgens het onderzoek beter overstappen op een voedingspatroon.

Darmpoliepen en lignanenrijke voeding

De door Anneleen Kuijsten onderzochte stoffen lignanen, zitten in meergranenbrood, thee, groenten en fruit. Ze vallen onder de polyfenolen, een grote groep verbindingen in plantaardige voedingsmiddelen waarvan onderzoekers vermoeden dat ze beschermen tegen ziekten.
Kuijsten keek in haar onderzoek naar de concentratie enterolignanen in het bloed. ‘Enterolignanen zijn vereenvoudigde versies van de lignanen in voeding’, zegt de promovenda. ‘In de dikke darm hebben bacteriën er methylgroepen en hydroxylgroepen afgehaald.’

Minder kans op darmpoliepen

Bij gebruikers van antibiotica, die minder bacteriën in hun darmen hebben, is de concentratie enterolignanen in het lichaam gering. Bij mensen met constipatie is die concentratie daarentegen iets hoger.
Mensen met verhoudingsgewijs veel enterolignanen in hun bloed, hebben de helft minder kans op darmpoliepen dan mensen met lage concentraties enterolignanen, ontdekte Kuijsten.

Voorstadium van darmkanker

Het merkwaardige is dat een hoge concentratie enterolignanen de kans op darmkanker weer niet kon verlagen.’ Kuijsten kon evenmin een verband vinden tussen enterolignanen en hart- en vaatziekten. Dat betekent echter niet dat lignanen dus geen gezondheidseffecten hebben, benadrukt de promovenda. ‘De opname van lignanen is goed, en het lichaam breekt lignanen naar verhouding langzaam af’, zegt Kuijsten. ‘Je vindt daarom vrij hoge concentraties enterolignanen in het lichaam. Omdat ze lijken op het vrouwelijke geslachtshormoon estradiol zouden ze de werking daarvan kunnen imiteren of juist blokkeren. De gezondheidseffecten van enterolignanen zouden daardoor vooral met hormoongerelateerde ziekten te maken kunnen hebben.’
Onderzoekers vermoeden dat lignanen de kans op borst- en eierstokkanker kunnen verminderen. Ook daarvoor is echter nog weinig bewijs gevonden

Commentaar NDN

Kwalitatieve niet-geraffineerde lijnzaadolie koudgeperste (max. 35°C) en van gegarandeerd biologische teelt is rijk aan het essentiële omega-3-vetzuur alfa-linoleenzuur. Door de bijzondere bereiding van deze olie is een deel van het celwandmateriaal van de zaadhuid met de daarin aanwezige vezels niet verloren gegaan, waardoor deze olie een relatief hoog gehalte aan lignanen (fytosterolen) bevat. Doordat deze olie niet verhit en ongeraffineerd is, zijn ook andere voor de mens waardevolle inhoudstoffen, zoals tocoferolen en carotenoïden behouden gebleven.
Lijnolie mag niet verhit worden en kan gebruikt worden in salades, door (soja)yoghurt, kwark en geitenyoghurt en – kwark. De lijnzaad smaak wordt niet altijd gewaardeerd. Met de toevoeging van vers fruit wordt de smaak frisser en minder visachtig.
Zie voor meer informatie over lijnzaad ons achtergrond artikel.

Foliumzuur en baarmoederkanker

Foliumzuur met de voeding verlaagt de kans op baarmoederkanker. Dit bleek uit een onderzoek met 1204 vrouwen die waren gediagnosticeerd met baarmoederkanker en 1212 controlepersonen. De leeftijd van de deelnemers liep uiteen van 30 tot 69 jaar. Informatie over de hoeveelheid ingenomen foliumzuur en andere methylgerelateerde voedingstoffen werd verkregen met behulp van vragenlijsten en genetisch onderzoek werd uitgevoerd.

Achtergrond van het onderzoek was dat foliumzuur een belangrijke rol speelt in de carcinogenese. Ook de genetische gevoeiligheidvia bepaalde varianten van het 5,10 methyleentetrahydrokoliumzuur-reductase (MTHFR)-gen spleet een rol bij het ontstaan van baarmoederkanker.
Uit de resultaten bleek dat bij een hogere inname van foliumzuur de kans op baarmoederkanker kleiner werd.

Verband met andere voedingssupplementen

Dit verband gold ook als geen vitamine B supplementen werden genomen. De 25% deelnemers met de hoogste inname van foliumzuur via de voeding die tevens geen supplementen gebruikten lieten het risico van baarmoederkanker het sterkst dalen met 50%. Er werd geen verband aangetoond tussen de inname met de voeding van methionine, vitamine B2,vitamine B6, vitamine B12 en baarmoederkanker. Daarnaast bleek er tevens een verband aanwezig tussen de inname foliumzuur en de genetische op het ontstaan van baarmoederkanker. Daarbij bleek een hogere inname van foliumzuur met de voeding het effect van risicovolle varianten van het MTHFR-gen in positieve zin te veranderen.

Foliumzuur en vitamine B6 en borstkanker

Hoge bloedspiegels van foliumzuur en vitamine B6 verminderen de kans op borstkanker. Voor vrouwen die veel alcohol drinken en daardoor een verhoogde kans op borstkanker hebben, is het gebruik van foliumzuur extra belangrijk. Dit is de conclusie van wetenschappers van de Harvard.
Tussen 1989 en 1990 werd van 32.826 vrouwen die meededen aan de Nursus Health Study bloedmonsters verzameld. In 1980, 1984, 1986 en 1990 werden vragenlijsten ingevuld over hun voedingsgewoonten. De inname van foliumzuur, vitamine B6, vitamine B12 en homocysteïne werd berekend. Tevens werden de bloedspiegels van deze stoffen bepaald. De vrouwen werden zes jaar gevolgd. In deze periode ontwikkelden 712 vrouwen borstkanker. Deze vrouwen deden mee met het onderzoek. Een groep van 712 vrouwen zonder borstkanker diende als controle. Het bleek dat de 20% vrouwen met de hoogste foliumzuurspiegel 27% minder kans hadden op borstkanker dan 20% vrouwen met de laagste foliumzuurspiegel.

Gevaren van alcohol

Werd de alcoholconsumptie in de analyse betrokken, dan bleek dit verband significant bij vrouwen die per dag tenminste 15 gram alcohol gebruikten, equivalent aan ongeveer één drankje. Het risico van borstkanker was bij deze vrouwen 89% lager. Bij vrouwen die minder dan één drankje per dag dronken, was de relatie foliumzuurspiegel en borstkanker niet significant. De 20% vrouwen met de hoogste vitamine B6–spiegel hadden 30% minder kans op borstkanker dan de 20% vrouwen met de laagste spiegel. Vrouwen vóór de overgang hadden 64% minder kans op borstkanker als ze hoge vitamine B12-spiegels hadden. Dit gold niet voor vrouwen na de overgang. Er werd geen verband gevonden tussen de homocysteïnespiegel en het risico van borstkanker.

Borstkanker en vitamine D 3

Een recente epidemiologische studie wijst wederom op een beschermend effect van vitamine D tegen de ontwikkeling van borstkanker. In toenemende mate blijkt uit onderzoek dat vitamine D een preventieve bijdrage levert in de strijd tegen de ontwikkeling van diverse vormen van kanker. In wetenschappelijke kringen dringt men er dan ook op aan om, in het belang van de volksgezondheid, de ADH van vitamine D3 (nu 5 mcg/200 IE) drastisch te verhogen. Vitamine D3 komt slechts in kleine hoeveelheden in de voeding voor en is daarom onder andere als supplement verkrijgbaar in de vorm van levertraan (vitamine A en D) of als zuivere vitamine D3 in tabletvorm.

De rol van zon, cholesterol en vitamine D

Vitamine D3 is eigenlijk een hormoon dat door de huid zelf, onder invloed van zonlicht, uit cholesterol wordt aangemaakt. Zonlicht is voor veel mensen gedurende het hele jaar, op enkele vakantieweken na, een schaars goed. Onderzoek geeft nu aan dat diverse factoren die de vitamine D-status van de mens positief beïnvloeden een sterke risicoreductie op borstkanker opleveren. Zo bleek bij vrouwen die tijdens de adolescentie het meest aan zonlicht waren blootgesteld, de kans op borstkanker 35% lager te zijn in vergelijking met de groep die het minste zonlicht had genoten. Verder bleek vitamine D bevattende voeding, zoals levertraan en melk, ook de kans op borstkanker tot zelfs 38% te reduceren.

Dit onderzoek wees ook op het belang van voldoende vitamine D tijdens de periode van borstontwikkeling bij jonge vrouwen, omdat dit waarschijnlijk voor het verdere leven de meeste vitamine D-gerelateerde bescherming tegen borstkanker biedt.
Vitamine D blijft echter gedurende het hele leven een uiterst belangrijke stof!

Voedingssuppletie en Tamoxifen bij borstkanker

In een gerandomiseerde studie kregen 84 borstkankerpatiënten die behandeld werden met tweemaal 10 milligram Tamoxifen per dag ook de volgende voedingssupplementen: 100 milligram coenzym Q10, 10 milligram riboflavine en 50 milligram niacine. De controlegroep nam enkel tweemaal per dag 10 milligram Tamoxifen in.

De oncologen stelden binnen 72 uur een duidelijke stijging vast van de poly (ADP-ribose) polymerase concentraties in de groep van borstkankerpatiënten die Tamoxifen combineerden met de eerder genoemde voedingssupplementen. De poly (ADP-ribose) polymerase molecule staat er voor bekend dat ze apoptose van de tumorcellen bevordert.

Tegelijkertijd noteerden de wetenschappers door het gebruik van de supplementen een stopzetting van de RASSF1A DNA methylatie. De RASSF1A DNA methylatie van bepaalde genen wordt in verband gebracht met de ontwikkeling van kanker. In de placebogroep die enkel met Tamoxifen werd behandeld werden deze positieve veranderingen niet vastgesteld.
Ze besluiten dan ook dat een stijging van de DNA herstel enzymen en het verdwijnen van de DNA methylatie, door het gebruik van de voedingssupplementen, borstkankerpatiënten een betere levenskwaliteit geven tijdens de ziekte alsook een verhoogde herstelprognose.

Glucosinolaten

In de natuur komen meer dan honderd glucosinolaten voor die dienen als een soort opslagplaats voor verschillende isothiocyanaten en indolen. Deze stoffen hebben een groot weerstand verhogend vermogen. Als u goed op uw groenten kauwt worden de plantencellen verbrijzeld, waardoor de verschillende compartimenten (normaal gescheiden van elkaar) met elkaar worden vermengd.
Goed kauwen De glucosinolaten die opgeborgen zitten in de compartimenten van bijvoorbeeld broccoli cellen komen dan in contact met een enzym myrosinase vanuit een ander compartiment. Dit enzym breekt de moleculen van de glucosinolaten in stukken. Een stof (glucoraphanine) in de broccoli komt dan in contact met het enzym myrosinase en wordt omgezet in het krachtig kankerwerende sulforafaan.

De weerstand verhogende stoffen van de kruisbloemigen groenten kunnen dus pas vrij komen en actief worden als u de groenten goed kauwt. Het is ook belangrijk om te vermelden dat de glucosinolaten heel makkelijk in water oplossen (net zoals de stoffen zoals salvestrolen die alleen in biologische groeten voorkomen, zie elders op onze site). Als u kruisbloemige groenten met ruim water opzet dan zijn na 10 minuten het aantal glucosinolaten met de helft verminderd!

Het enzym myrosinase is ook nog erg gevoelig voor verhitting, dus als u de groenten lang kookt, met of zonder water, dan wordt de hoeveelheid isothiocyanaten die kan worden omgezet drastisch verminderd.
Stomen Het beste behoud van deze stoffen is stomen. Er kunnen dan geen glucosinolaten oplossen in het water. Diepvriesproducten worden tijdens het productieproces onder hoge temperatuur geblancheerd, waardoor hun gehalte aan glucosinolaten en aan myrosinase aanzienlijk achteruitgaat. Diepvriesproducten zijn dus een veel minder aantrekkelijke bron van weerstandverhogende stoffen dan verse groenten.

Groenten en maagkanker

Groenten, en dan vooral groene bladgroenten en wortelgroenten, beschermen bij regelmatig gebruik wellicht tegen het ontstaan van maagkanker. Dit blijkt uit een omvangrijk Zweeds onderzoek.

Mensen, die 200 gram* groenten of meer per dag eten, hebben een significant kleinere kans op het krijgen van maagkanker dan mensen die 80 gram groenten of minder per dag eten. De kans op het krijgen van maagkanker daalde volgens de gegevens met 44%.

De onderzoekers hebben ook gekeken naar de relatie met verschillende soorten groenten. De kans op maagkanker is aanzienlijk kleiner bij mensen die meer dan 3 keer per week groene bladgroenten, zoals spinazie en sla of wortelgroenten zoals wortels en bietjes eten dan bij mensen die minder dan 1 keer per 2 weken deze groentesoorten eten. De onderzoekers schrijven de extra bescherming van deze groentesoorten toe aan het hoge gehalte van diverse carotenoïden, en vooral bètacaroteen.

Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van 2 grote Zweedse onderzoeksgroepen van ruim 36.000 vrouwen en ruim 45.000 mannen van middelbare leeftijd. De personen zijn 7,2 jaar gevolgd (in de periode tussen 1997 en 2005). In die periode kregen 139 mensen maagkanker. Om de voedselconsumptie te achterhalen hebben alle proefpersonen een vragenlijst ingevuld waarbij ze van 96 voedingsmiddelen moesten aangeven hoe vaak ze deze gedurende het laatste jaar gebruikt hadden.

*voor deze hoeveelheden is aangehouden dat 1 serving in het onderzoek gelijk staat aan 80 gram

Knoflook en alliumfamilie

Knoflook en zijn verwanten van de Allium-familie (ui, prei, sjalot, bieslook) remmen de ontwikkeling van kanker af, zowel doordat ze beschermen tegen schade die kankerverwekkende stoffen aanrichten als door hun vermogen om kankercellen te hinderen in hun groei. De stoffen met kankerwerende effecten komen vrij bij het pletten van de groenten.

Als u het teentje gaat pletten, worden de cellen erin verbrijzeld, waardoor het enzym alliinase vrijkomt en dat met de stof alliine in contact komt. De stof allicine, een bijzonder geurige stof wordt gevormd. Deze is erg onstabiel en wordt direct weer omgezet in andere min of meer complexe zwavelverbindingen. (zoals diallylsulfide ook wel DAS en diallyldisulfide of DADS).

Ui en knoflook bij diverse soorten kanker

Wie regelmatig ui en knoflook eet, zou daarmee de kans op diverse soorten kanker kunnen verkleinen. Dit suggereren de resultaten van 8 studies, uitgevoerd in Italië en Zwitserland.
Het eten van meer dan 80 gram ui per week gaat gepaard met een bijna 40% kleinere kans op dikke darmkanker, vergeleken met mensen die geen ui eten. De kans op kanker aan de eierstokken is 43% kleiner en de kans op strottenhoofdkanker 56%. Regelmatig gebruik van knoflook gaat ook gepaard met een lager risico op kanker. Het risico op dikke darmkanker is 12% lager en op nierkanker 21% lager dan bij mensen die weinig tot geen knoflook gebruiken.
Zwavelverbindingen Voor de kankerremmende eigenschappen van ui en knoflook bestaan al langer aanwijzingen. Beide horen – samen met prei – tot de zogenoemde alliumgroenten. Vooral knoflook is rijk aan potentieel kankerremmende organische zwavelverbindingen. Deze stoffen zijn deels verantwoordelijk voor de typische smaak en geur van knoflook. Uien bevatten daarnaast een hoog gehalte aan flavonoïden, die een gunstige werking als antioxidant hebben. Of deze stoffen uit alliumgroenten inderdaad verantwoordelijk zijn voor de mogelijk beschermende werking tegen kanker, moet verder onderzocht worden.

De onderzoekers hebben de resultaten van 8 patiënt-controlestudies op een rij gezet. In totaal zijn de eetgewoonten van ruim 8.500 mensen met kanker vergeleken met ruim 16.000 vergelijkbare personen zonder kanker. Uit vrijwel alle studies bleek dat kankerpatiënten 2 jaar voor hun diagnose 10 tot 30% minder ui en knoflook consumeerden dan controlepersonen.

Kurkuma (geelwortel)

Kurkuma (bevat de kankerremmende verbinding curcumine). Kurkuma (plant uit de gember familie; Zingiberaceae)is een helder okergeel kleurig poeder (ook wel geelwortel genoemd) dat wordt verkregen door de gedroogde wortelstok van de plant Curcuma longa te vermalen. Hoewel de biobeschikbaarheid van curcumine betrekkelijk laag is, kan deze aanzienlijk worden verhoogd door peper. Elke dag een theelepel kurkuma in de soep, vermengd door een eigengemaakt vegetarische paté (humus, linzen, tofuspread), door de zilvervliesrijst of wilde rijst is een snelle en goedkope manier om zoveel mogelijk kurkuma te eten. Tip: boterham met roomboter, bestrooid met geelwortel en zwarte vers gemalen peper dik belegd met verse biologische aardbeien.

ORAC waarde van groenten en fruit

De hoeveelheid antioxidanten in ruim 275 producten is door de Agricultural Research Service (ARS) in Amerika in kaart gebracht. Diverse soorten fruit, groente en noten zijn onderzocht op het vermogen om vrije radicalen te vangen door meting van de Oxygen Radical Absorbance Capacity (ORAC).
Een methode om de antioxidanten capaciteit van de voeding uit te drukken is de ORAC waarde. De Agricultural Research Service (ARS) in Amerika heeft met deze methode de hoeveelheid antioxidanten van ruim 275 producten in kaart gebracht.

Diverse soorten fruit, groente, noten en specerijen zijn gescreend op het vermogen om vrije radicalen te vangen door meting van de Oxygen Radical Absorbance Capacity (ORAC). Deze norm is ontwikkeld door het National Institute on Aging in Baltimore, Maryland. Hoog scorende voedingsmiddelen zijn vooral afkomstig uit de groep groenten en fruit. De meeste antioxidanten bevinden zich in de schil van het fruit. Logisch want de schil beschermt het fruit ook voor de invloed van zuurstof en andere stoffen. Zonder de schil begint een appel al binnen een minuut te verkleuren.

Pas sinds 2004

De nieuwe ORAC waarde is nog niet zo lang in gebruik. Pas in 2004 werden de eerste waardes bekend. Wetenschappers van het United States Department of Agriculture publiceerden een lijst met de 100 meest geconsumeerde voeding in Amerika. Let op bij de ORAC waarde of deze is uitgedrukt in de waarde per verpakkingseenheid of in ORAC waarde per 100 gram.
In de ORAC tabel in de pdf in het artikel elders op deze site zijn gemiddelde waardes weergegeven. De hoeveelheid antioxidanten varieert per product, afhankelijk van diverse factoren zoals ras, groeiomstandigheden, oogstmethode en verwerking. Antioxidanten als vitamine C, E, bèta-caroteen en flavonoïden spelen een rol in de strijd tegen oxidatieve stress, een factor die een rol kan spelen in de ontwikkeling van onder meer kanker en hart- en vaatziekten.

Meer over ORAC (Antioxidantenwaarde gemeten in voeding)

Van alle voedingsmiddelen met hoge ORAC waarden zet de NDN de blauwe bes even in het zonnetje. De blauwe bes heeft een hoog gehalte aan stoffen zoals vitamines A, B1 en C. foliumzuur, kalium, mangaan en vezels.
Wat de blauwe bes uniek maakt is zijn sterke antioxidant-activiteiten. Deze is hoger dan bij alle andere soorten groenten en fruit.

De Blauwe bes: supergezond

Antioxidanten neutraliseren zogenaamde vrije radicalen. Vrije radicalen zijn agressieve, reactieve zuurstof- en stikstofmoleculen die een rol spelen in het ontstaan van diverse ziekten, onder andere in kanker en hart- en vaatziekten. Het Onderzoekcentrum voor Voeding USDA Human Nutrition Research Center On Aging at Tufts University (universiteit in Boston), hebben blauwe bessen gemeten met een ORAC-waarde van 2.400 tot 3.000 eenheden. De ORAC-waarde kan beïnvloedt worden door de soort, kleur (donkerder is hoger), rijpheid en nabehandeling van blauwe bessen.

Eet u fruit met de schil? Kies dan steeds voor biologisch fruit.

Het USDA instituut bestempelt de blauwe bes als de vrucht met het hoogste antioxidant-power die risico’s kunnen verminderen zoals: het aantasten van het immuunsysteem, waardoor wonden beter genezen en urineweginfecties worden tegengegaan, sommige kankersoorten, hart- en vaatziekten, diabetisch, oogaandoeningen, huid, tandvleesafwijkingen, ontstekingen en andere zowel geestelijke als motorische ouderdomsverschijnselen.

Boekentips

Literatuur en links:

Zorg om kanker te voorkomen goed voor uw lever. Zie meer hierover op lever voedingsadviezen. Ook diverse gezonde kooktechnieken (en recepten) worden in dit boek besproken

Referenties

De resultaten van het blauwe bessenonderzoek zijn ook te vinden in de database van ARS: www.ars.usda.gov

Bronnen Darmkanker en westerse voeding:
1. JAMA. 2007;298:754-764.
2. Association of Dietary Patterns With Cancer Recurrence and Survival in Patients With Stage III Colon Cancer
3. Jeffrey A. Meyerhardt, MD, MPH; Donna Niedzwiecki, PhD; Donna Hollis, MS; Leonard B. Saltz, MD; Frank B. Hu, MD, PhD; Robert J. Mayer, MD; Heidi Nelson, MD; Renaud Whittom, MD, FRCPC; Alexander Hantel, MD; James Thomas, MD; Charles S. Fuchs, MD, MPH

Referentie B 12 en vrouwen:
Rebecca L. Sedjo, Paula Inserra, Martha Abrahamsen, Robin B. Harris, Denise J. Roe, Susie Baldwin and Anna R. Giuliano. Human Papillomavirus Persistence and Nutrients Involved in the Methylation Pathway among a Cohort of Young Women. Cancer Epidemiology Biomarkers & Prevention Vol. 11, 353-359, April 2002
1. JAMA. 2007;298:754-764.
2. Association of Dietary Patterns With Cancer Recurrence and Survival in Patients With Stage III Colon Cancer
3. Jeffrey A. Meyerhardt, MD, MPH; Donna Niedzwiecki, PhD; Donna Hollis, MS; Leonard B. Saltz, MD; Frank B. Hu, MD, PhD; Robert J. Mayer, MD; Heidi Nelson, MD; Renaud Whittom, MD, FRCPC; Alexander Hantel, MD; James Thomas, MD; Charles S. Fuchs, MD, MPH.
Bron Foliumzuur en baarmoederkanker:
XU WH. et al. Dietary Folate intake, MTHFR genetic polymorphisms, and the risk of endometrial cancer among Chinese women. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2007; 16(2):281-7

Referenties Borstkanker en suppletie:
1. Bron Walter Fache
2. Premkumar VG, Yuvaraj S, Shanthi P, Sachdanandam P. Co-enzyme Q10, riboflavin and niacin supplementation on alteration of DNA repair enzyme and DNA methylation in breast cancer patients undergoing tamoxifen therapy. Br J Nutr. 2008 Apr 1;:1-4

Referentie vitamine D3:
1. Knight KA et al: ‘Vitamin D and Reduced Risk of Breast Cancer: A Population-Based Case-Control Study’; Cancer Epidemiology Biomarkers and Prevention 16:860-868, 2007. Bronnen chlorella:
Artikel Chlorella; met dank aan Geiske Ruigrok.
1. Dantas DC, Kaneno R, Queiroz ML. The effects of Chlorella vulgaris in the protection of mice infected with Listeria monocytogenes. Role of natural killer cells. Immunopharmacol Immunotoxicol 1999; 21: 609-19.
2. Guzman S, Gato A, Calleja JM. Antiinflammatory, analgesic and free radical scavenging activities of the marine microalgae Chlorella stigmatophora and Phaeodactylum tricornutum. Phytother Res 2001 May;15(3):224-30 2002; 15: 224-30.
3. Hasegawa T, Okuda M, Nomoto K, Yoshikai Y. Augmentation of the resistance against Listeria monocytogenes by oral administration of a hot water extract of Chlorella vulgaris in mice. Immunopharmacol Immunotoxicol 1994; 16: 191-202.
4. Konishi F, Tanaka K, Kumamoto S, et al. Enhanced resistance against Escherichia coli infection by subcutaneous administration of the hot-water extract of Chlorella vulgaris in cyclophosphamide-treated mice. Cancer Immunol Immunother 1990; 32: 1-7.
5. Matsuura E, Nemoto T, Hozumi H, et al. Effect of chlorella on rats with iron deficient anemia. Kitasato Arch Exp Med 1991; 64: 193-204.
6. Merchant RE, Andre CA. A review of recent clinical trials of the nutritional supplement Chlorella pyrenoidosa in the treatment of fibromyalgia, hypertension, and ulcerative colitis. Altern Ther Health Med 2001 May-Jun;7(3):79-91 2002; 7: 79-91.
7. Merchant RE, Carmack CA, Wise CM. Nutritional supplementation with Chlorella pyrenoidosa for patients with fibromyalgia syndrome: a pilot study. Phytother Res 2000 May;14(3):167-73 2002; 14: 167-73.
8. Morimoto T, Nagatsu A, Murakami N, et al. Anti-tumour-promoting glyceroglycolipids from the green alga, Chlorella vulgaris. Phytochemistry 1995; 40: 1433-147.
9. Morita K, Ogata M, Hasegawa T. Chlorophyll derived from Chlorella inhibits dioxin absorption from the gastrointestinal tract and accelerates dioxin excretion in rats. Environ Health Perspect 2001 Mar;109(3):289-94 2002; 109: 289-94.
10. Noda K, Ohno N, Tanaka K, et al. A water-soluble antitumor glycoprotein from Chlorella vulgaris. Planta Med 1996; 62: 423-46.
11. Pugh N, Ross SA, ElSohly HN, ElSohly MA, Pasco DS. Isolation of three high molecular weight polysaccharide preparations with potent immunostimulatory activity from Spirulina platensis, aphanizomenon flos-aquae and Chlorella pyrenoidosa. Planta Med 2001 Nov;67(8):737-42 2002; 67: 737-42.
12. Shibata S, Oda K, Onodera-Masijoka N, et al. Hypocholesterolemic effect of indigestible fraction of Chlorella regularis in cholesterol-fed rats. J Nutr Sci Vitaminol (Tokyo) 2001 Dec;47(6):373-7 2002; 47: 373-37.
13. Singh A, Singh SP, Bamezai R. Inhibitory potential of Chlorella vulgaris (E-25) on mouse skin papillomagenesis and xenobiotic detoxication system. Anticancer Res 1999; 19: 1887-191.
14. Singh SP, Tiku AB, Kesavan PC. Post-exposure radioprotection by Chlorella vulgaris (E-25) in mice. Indian J Exp Biol 1995; 33: 612-65.
15. Tanaka K, Tomita Y, Tsuruta M, et al. Oral administration of Chlorella vulgaris augments concomitant antitumor immunity. Immunopharmacol Immunotoxicol 1990; 12: 277-91.
16. Tanaka K, Yamada A, Noda K, et al. A novel glycoprotein obtained from Chlorella vulgaris strain CK22 shows antimetastatic immunopotentiation. Cancer Immunol Immunother 1998; 45: 313-20.
17. Tanaka K, Yamada A, Noda K, Shoyama Y, Kubo C, Nomoto K. Oral administration of a unicellular green algae, Chlorella vulgaris, prevents stress-induced ulcer. Planta Med 1997; 63: 465-46.
18. – Herbal Medicine, Healing & Cancer by Donald R. Yance
19. “Augmentation of Antitumor Resistance by a Strain of Unicellular Green Algae, Chlorella Vulgaris,” 1984 in Cancer Immunology and Immunotherapy.
20. – Herbal Medicine, Healing & Cancer by Donald R. Yance, studie uit Japan, 1992
21. Komiyama, K. et al An acidic polysaccharide Chlon A from Chlorella pyrenoidosa. (Antitumor activity and immunological response.) Research at: The Kitasato Institute, Japan
22. Kojima, M. et al A Chlorella polysaccharide as a factor stimulating RES activity. Dept. of Pathology, Fukushima Medical College, Fukushima City, Japan. Journal of the Reticuloendothelial Society 14: pp 192-208,1973
23. Kojima, M. et al A new Chlorella polysaccharide and its accelerating effect on the phago-cytic activity of the reticuloendothelial system. Paper delivered at: Symposium II: Phagocytic Activity of RES, Dept. of Pathology, Fukushima Medical College, Fukushima City, Japan
24. White, R. and Barber, G. An acidic polysaccharide from the cell wall of Chlorella pyrenoidosa. Research at: Dept. of Biochemistry, Ohio State Univ. 484 W. 12 Ave., Columbia, OH 43210
25. “Evaluation of the antioxidant activity of three microalgal species for use as dietary supplements and in the preservation of foods.”Authors: I. Rodriguez-Gacia and J.L. Guil-Guerrero Food Chemistry Published online ahead of print, doi:10.1016/j.foodchem.2007.11.059

Referentie: Vit. E en chemotherapie
A. Argyriou, E. Chroni, A. Koutras, J. Ellul, S. Papapetropoulos, G. Katsoulas, G. Iconomou, and H. P. Kalofonos. Vitamin E for prophylaxis against chemotherapy-induced neuropathy: A randomized controlled trial. Neurology. 2005; 64(1): p. 26-31

Referentie darmpoliepen:
Kuijsten A et al: “Plasma enterolignans are associated with lower colorectal adenoma risk”: Canc. Epidem. Biom. Prev. 15(6): 1132-1136, juni 2006.

Bron maagkanker en groenten:
1. Larsson S.C., et al. Fruit and vegetable consumption and incidence of gastric cancer: a prospective study, Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 15: 10 (2006) 1998-2001
2. AGF PN nieuws.

Bron ui en knoflook:
Galeone, C., et al. Onion and garlic use and human cancer, Am.J.Clin.Nutr. 84 (2006) 1027-1032

Bronnen Broccoli en prostaatkanker:
1. Myzak MC, Tong P, Dashwood WM, Dashwood RH, Ho E., Sulforaphane Retards the Growth of Human PC-3 Xenografts and Inhibits HDAC Activity in Human Subjects. Exp Biol Med (Maywood). 2007 Feb;232(2):227-34
2. Hsu JC, Dev A, Wing A, Brew CT, Bjeldanes LF, Firestone GL., Indole-3-carbinol mediated cell cycle arrest of LNCaP human prostate cancer cells requires the induced production of activated p53 tumor suppressor protein. Biochem Pharmacol. 2006 Dec 15;72(12):1714-23