Een persoonlijke oproep van Marijke de Waal Malefijt

Natuurdiëtisten.nl

Gratis Nieuwsbrief

Waardevolle en actuele informatie en tips over voeding en uw gezondheid!

Uw emailadres wordt alleen gebruikt voor toezenden van de nieuwsbrief.

Nieuwsbrief archief

> Naar alle nieuwsberichten

Helpt goede voeding oogproblemen voorkomen?

26 juli 2017 | ndn | Zwakke ogen worden sterk geassocieerd met ouderdom, maar klopt dit wel? Men heeft het vaak over ‘ouderdomsstaar’ of ‘seniel cataract’, en ‘leeftijdsgebonden maculadegeneratie’ of ‘veroudering van het netvlies’.Is een verslechtering van gezichtsvermogen, net als grijze haren, onherroepelijk verbonden aan het ouder worden?

Uit onderzoek van de Tuftsuniversiteit in Boston blijkt dat diverse zogenaamde ziektes die velen van hun scherpe blik beroven wel eens een- en dezelfde oorzaak zouden kunnen hebben, namelijk een voedingspatroon met te veel bewerkte suikers.

Als bewerkte suikers daadwerkelijk de oorzaak van deze aandoeningen vormen, dan hangen oogziektes nauw samen met andere belangrijke welvaartsziektes. Dat betekent ook dat ze niet onvermijdelijk horen bij het ouder worden, maar voor een groot deel voorkomen of zelfs teruggedraaid kunnen worden bij leefstijlaanpassingen.

Acht jaar heeft oog- en voedingswetenschapper Chung-Jung Chiu gewerkt aan een theorie. Volgens Chiu heeft een verslechterend gezichtsvermogen weinig te maken met leeftijd, en alles met voeding.
Maar volgens Chiu is er wel iets aan te doen, bijvoorbeeld door over te stappen op voeding met weinig snelle suikers en door regelmatig te bewegen. Zulke eenvoudige leefstijlveranderingen kunnen veel van de oogproblemen helpen voorkomen.
Koolhydraten vertroebelen de ogenChiu is hoofdonderzoeker bij het Jean Mayer USDA Human Nutrition Research Center on Aging van de Tuftsuniversiteit in Boston. Dit is een groot Amerikaans onderzoekscentrum voor voeding en veroudering. Chiu heeft meegewerkt aan talloze onderzoeken. De meest recente betreft het Nutrition and Vision Project, wat deel uitmaakt van de Nurses’ Health Study, waarin sinds 1976 de gezondheid van meer dan 200.000 vrouwelijke verpleegkundigen wordt gevolgd.

Chiu onderzocht patiënten die uiteindelijk staar, diabetische retinopathie of LMD kregen. Hij ontdekte dat ze één ding met elkaar gemeen hadden: een dieet met veel bewerkte koolhydraten (suikers). Hij onderzocht ongeveer vierhonderd verpleegkundigen uit de Nurses’ Health Study tussen de 53 en 73 jaar oud uit de omgeving van Boston.

Van deze mensen was veertien jaar bijgehouden welke voeding ze hadden gebruikt. Daaruit bleek dat degenen die de meeste koolhydraten binnenkregen (dagelijks meer dan 200 gram), tweeënhalf keer zoveel kans hadden op een troebele ooglens als degenen die de minste koolhydraten aten.[1]
Australisch onderzoekEen Australisch onderzoek bevestigde Chiu’s bevindingen. Daarin werden zo’n duizend Australische patiënten van 49 jaar en ouder die nooit eerder staar hadden gehad, na vijf en tien jaar grondig onderzocht op hun voedingsgewoontes. Ook werden hun ogen gefotografeerd en geanalyseerd om te bepalen of ze staar hadden ontwikkeld.

Hyperglykemie, een hoge bloedsuikerspiegel, werd altijd al beschouwd als een risicofactor voor staar. Maar nog maar weinig wetenschappers hadden een verband gelegd tussen staar en voeding met veel bewerkte koolhydraten. Het Australische onderzoek liet zien dat het soort koolhydraten dat men eet, ook een rol speelt [2]. Al eerder kwamen onderzoekers van de Harvard School of Public Health tot eenzelfde conclusie: zelfs bij niet-diabetici ‘kan staar in elk geval deels ontstaan als gevolg van glucose-intolerantie en insulineresistentie’[3].
Suikers binden aan oogeiwittenHoge bloedsuikerspiegels leiden tot glycering, een proces waarbij suikers worden gekoppeld aan de eiwitten in de ooglens. Door deze glycering verandert de structuur van deze eiwitten, wordt de lens troebel en verslechtert het gezichtsvermogen. En juist de eiwitten in de ooglens zijn zeer gevoelig voor dit soort schade.[4]

Zo bleken 49-plussers bij wie de nuchtere bloedsuikerwaarde hoger dan 6 mmol/l was, in de daaropvolgende tien jaar 79 procent meer kans op staar te hebben dan degenen met een lagere bloedsuikerwaarde.[5] Voor elke stijging van 1 mmol/l werd de kans op staar tot 25 procent groter.
Afwijkingen in de gele vlekChiu en zijn collega’s deden vervolgens een vergelijkbaar onderzoek voor leeftijdsgebonden maculadegeneratie (LMD). Ze onderzochten wederom gegevens uit de Nurses’ Health Study. Opnieuw vonden ze een verband met suikerrijke voeding. Deelneemsters die voeding met de hoogste GI gebruikten, hadden bijna driemaal zoveel kans dat het pigment van de gele vlek in hun netvlies afwijkingen vertoonde (een vroege aanwijzing voor maculadegeneratie)[6].

Ten slotte startten Chiu de Age-Related Eye Disease Study (AREDS), een groot onderzoek waaraan ruim vierduizend personen, zowel vrouwen als mannen, deelnamen. Daaruit bleek dat de kans op ernstige LMD met 49 procent toenam bij voeding met een hoge GI.[7]. Volgens de AREDS-onderzoekers kan een vijfde van alle LMD-gevallen worden voorkomen door voeding met een lage GI. Een beperking van bewerkte koolhydraten zou over een periode van vijf jaar zo’n 100.000 LMD-gevallen kunnen voorkomen.[7]
Diabetische retinopathie In een onderzoek werden 1441 mensen met insulineafhankelijke diabetes type 1, zesenhalf jaar gevolgd. Patiënten die hun bloedsuikerspiegel goed onder controle hielden, bleken in die periode 76 procent minder kans te hebben om retinopathie te krijgen.

Degenen die aan het begin van het onderzoek al een lichte vorm van retinopathie hadden, konden een verdere verslechtering ervan met 54 procent vertragen door alleen hun bloedsuikerspiegel goed te reguleren.[8]
Connectie met vettenEr is niet alleen een verband tussen oogziektes en een hoge GI, maar ook een connectie met de hoeveelheid en het soort vetten die men eet. Onderzoekers van de Harvard School of Public Health ontdekten dat LMD-patiënten die veel plantaardige vetten aten, bijna viermaal zoveel kans hadden dat hun oogziekte verslechterde.

Ook wanneer ze vaak bewerkte voedingsmiddelen met veel bewerkte vetten aten, zowel dierlijke, verzadigde, enkelvoudig onverzadigde als meervoudig onverzadigde vetten, verdubbelde de kans dat hun LMD verder achteruitging. De meeste bewerkte voeding is rijk aan omega 6-vetzuren, en een teveel daarvan zou wel eens kunnen bijdragen aan de schade door vrije zuurstofradicalen die optreedt bij leeftijdsgebonden oogziektes.[10]

Ander onderzoek toont aan dat vis en noten, die allebei rijk aan omega 3-vetzuren zijn, tegen oogziektes kunnen beschermen. Er vanuit gaande dat daarnaast weinig omega 6-vetzuren worden gegeten. In de meeste onderzoeken blijken de omega 3-vetzuren uit vis de beste bescherming te geven. Vis bevat vooral docosahexaeenzuur (DHA) en eicosapentaeenzuur (EPA), terwijl de omega 3-vetzuren in planten met name uit alfalinoleenzuur (ALA) bestaan.[11,12]
Meer fruit, groenten en bewegenNaast vis kan ook een dieet met veel fruit en groente beschermen tegen oogaandoeningen. Verschillende onderzoeken tonen aan dat het eten van veel fruit (minstens drie porties per dag), de kans op LMD en staar met ongeveer een derde kan verminderen. Bij patiënten met diabetes type 2 daalde het risico op diabetische retinopathie met meer dan de helft.[13]
Vooral mediterrane voeding met veel fruit, groente, volkorenproducten, vis, bonen en olijfolie heeft een krachtig effect.

Een onderschat risicofactor is te weinig beweging. Slechts zeven uur per week actief bewegen, verlaagt de kans op LMD al met ruim 66 procent. Ook de kans op staar wordt aanzienlijk kleiner bij stevig wandelen of regelmatig hardlopen.[14] Mensen met diabetische retinopathie blijken vaker een inactieve leefstijl te hebben en voldoen veel minder vaak aan de minimale richtlijnen voor lichaamsbeweging.[15]
Meer belasting van de ogenOok worden de ogen meer en meer belast tegenwoordig. Televisie kijken, werken voor een computerscherm, zonnestralen en veroudering, het zijn slechts enkele van de belangrijkste factoren die de ogen belasten.

Veel mensen brengen uren per dag achter een beeldscherm door en krijgen mede daardoor last van vermoeide ogen en hebben moeite met scherpstellen (accommoderen). Klachten van vermoeide ogen (asthenopie), die in de loop van de dag toenemen, zijn rode, lichtgevoelige, pijnlijke, geïrriteerde, droge en/of tranende ogen, minder goed zien, hoofdpijn en stijve schouders.

Twee natuurlijke componenten, luteïne en zeaxanthine, zijn dan ook dagelijks nodig om de conditie van de ogen zo goed mogelijk te houden[16]. Beide carotenoïden filteren alle soorten licht en neutraliseren de vrije radicalen (schadelijke stoffen) die via de lichtstralen op de ooglens terechtkomen.

Wij zijn niet in staat om zelf luteïne en zeaxanthine aan te maken. Het moet dus via het eten van groene bladgroenten zoals o.a. spinazie aangevoerd worden. De meeste mensen eten echter onvoldoende groene bladgroenten en zijn daarom aangewezen op voedingssupplementen die luteïne en zeaxanthine bevatten.

Een uitspraak die bijna iedereen kent -een volkswijsheid- is, dat veel wortelen eten goed is voor de ogen. Dit klopt inderdaad, omdat wortelen betacaroteen bevatten dat o.a. goed is voor de ogen. Buiten de bekende wortelen zijn er meer voedingsstoffen en/of supplementen die een algemeen positief effect hebben op de ogen.

Voedingsnutriënten kunnen helpen om de schade van vrije radicalen te beperken, zoals: vitamine A, vitamine C , vitamine E, vitamine B 2, selenium, mangaan, zink, taurine (aminozuur), carotenoïden (luteïne en zeaxanthine), zwarte bes, ogentroost, bioflavonoïden en proanthocyanidinen.
Astaxanthine een krachtige antioxidantIn verschillende humane placebogecontroleerde studies is aangetoond dat suppletie met astaxanthine helpt om asthenopie (vermoeide ogen) te verminderen [17-22]. Het scherpstellen verbetert vermoedelijk door een betere functie van de ciliaire (kring)spier in het oog, die door samen te trekken en weer te ontspannen zorgt voor vormverandering van de ooglens. De functieverbetering kan te maken hebben met een betere doorbloeding van het oog: astaxanthine verbetert de stroomsnelheid van het bloed, mogelijk door een betere vervormbaarheid van rode bloedcellen [23].

Astaxanthine is een veel krachtiger antioxidant en vrije radicalenvanger dan andere vetoplosbare antioxidanten zoals tocoferolen (vitamine E) en verwante carotenoïden (bètacaroteen, luteïne). Astaxanthine is meer dan een antioxidant. Het heeft onder meer een ontstekingsremmende en afweerversterkende werking. In de natuur komen meer dan 600 verschillende rode en gele carotenoïden voor.

Astaxanthine is een relatief onbekende carotenoïde die wordt gemaakt door plankton, algen en sommige planten, om zich te weren tegen de schadelijke effecten van zonlicht en zuurstof. De hoogste concentratie astaxanthine wordt aangetroffen in de groene microalg Haematococcus pluvialis. Vanuit deze bronnen komt astaxanthine in de voedselketen terecht. Astaxanthine is de belangrijkste rozerode kleurstof in waterdieren zoals zalm, forel, garnaal, krab, zeekreeft en rivierkreeft.
Astaxanthine en glaucoomBij mensen is aangetoond dat inname van astaxanthine zorgt voor een betere doorbloeding van de haarvaten in het netvlies en rond de oogzenuw. Dit impliceert dat astaxanthine waardevol is voor de preventie van maculadegeneratie en glaucoom [24]. Astaxanthine zorgt voor afname van oogirritatie door de ontstekingsremmende werking. In een diermodel voor oogontsteking (endotoxine-geïnduceerde uveïtis) had astaxanthine een dosisafhankelijk ontstekingsremmend effect door remming van NF-κB-activering met daling van ontstekingsmarkers en –mediatoren (NO, PGE2, TNF-α) [25, 26] Astaxanthine helpt niet alleen bij bestaande asthenopie; preventief gebruik van astaxanthine helpt vermoedelijk ook bij het voorkomen van deze aandoening [27].

Mensen met suikerziekte hebben door een hogere bloedglucosespiegel te kampen met toegenomen oxidatieve stress. Oxidatieve stress is geassocieerd met degeneratie van bètacellen (insulineproducerende cellen in de pancreas) en diabetescomplicaties, waaronder glaucoom. Astaxanthine helpt bij suikerspiegelregulatie en biedt bescherming tegen glucosetoxiciteit [28].
Verstoorde suikerstofwisselingVerstoorde suikerstofwisseling kan leiden tot een grotere kans of risico op oogproblemen. Vaak is er dan sprake van een verhoogde oogdruk, hetgeen schade toebrengt aan de lens. Bij een algemeen verstoorde suikerstofwisseling kunnen vitamine C en bioflavonoïden helpen om schade te verminderen of helpen te voorkomen.

Diabetici, zeker degenen met overgewicht, lopen zes keer meer risico op staar. De afbraak van galactose (onderdeel van melksuikerlactose) gaat ten koste van voedingsfactoren die belangrijk zijn voor de aanmaak van de enzymen die het oog beschermen.

Het is belangrijk om het eten van drop en zoethout zo veel mogelijk te vermijden, daar er een stof in zit (glycyrrhizinezuur) die de druk in de oogbol verhoogt.
Vitamine A en B1 kunnen preventief werken tegen glaucoomGlaucoom is wereldwijd de belangrijkste oorzaak van blindheid. Naar schatting lijden ruim 60 miljoen mensen aan deze aandoening. Naarmate de leeftijd toeneemt, neemt de kans op glaucoom ook toe. En omdat mensen steeds ouder worden, zal in de toekomst het aantal mensen met glaucoom nog verder toe gaan nemen.

Voor het onderzoek, waarop wetenschapper Wishal Ramdas in 2011 is gepromoveerd, werd gebruikgemaakt van de resultaten van de ERGO-studie. Het Erasmus Rotterdam Gezondheid Onderzoek is een langdurig bevolkingsonderzoek van Erasmus MC waaraan 15.000 mensen van 45 jaar en ouder uit de Rotterdamse wijk Ommoord meewerken. Bij de deelnemers werd onder meer gekeken naar de voedselinname en ze kregen tevens een oogheelkundig onderzoek.

De deelnemers met een hoge inname van vitamine A en B1 hadden minder kans op het ontwikkelen van glaucoom dan deelnemers die een lage inname hadden. In dieronderzoek was al eerder aangetoond dat deze vitamines een beschermend effect kunnen hebben op de oogzenuw en het ontwikkelen van glaucoom. Met dit onderzoek is een dergelijke relatie ook aangetoond bij mensen.

Ook erfelijkheid blijkt een rol te spelen bij de ontwikkeling van glaucoom. Er zijn elf genen gevonden die in verband staan met glaucoom. Mensen die veel van deze genvarianten dragen, blijken een 2–3 keer hoger risico op glaucoom te hebben dan mensen die slechts enkele van deze genvarianten bij zich dragen.
Commentaar natuurdiëtisten Nederland Staar, LMD en zelfs diabetische retinopathie zijn geen onvermijdelijk gevolg van het ouder worden, maar vloeien voort uit gebrekkige voeding. Deze oogaandoeningen zijn te bestrijden of de kans erop is aanzienlijk te verkleinen door een mediterraan dieet met veel fruit, groente, volkorenproducten en vis. Daarnaast is minder suikers eten aan te raden en regelmatiger bewegen. Ook uitgekiende suppletie kan bijdragen aan een minder vertroebelde blik.

Suppletie met luteïne bijvoorbeeld heeft niet alleen een gunstige invloed op de functie van de macula in het oog maar heeft mogelijk ook een ontstekingsremmende werking. Resultaten van een éénjarige studie geven aan dat suppletie met 10 mg luteïne per dag een significante afname geeft in de waardes van sC5b-9 (marker van systemische ontstekingen), vergeleken met placebo.

De studie gepubliceerd in Acta Ophthalmology[30], draagt verder bij aan de steeds sterkere wetenschappelijke onderbouwing van de vitale rol die de carotenoïde luteïne speelt bij de gezondheid van het oog. Luteïne en daarnaast zeaxanthine zijn de enige carotenoïden die in staat zijn om het blauwe licht te filteren dat de cellen in het oog zou kunnen beschadigen. Door de belangrijke rol van sC5b-9 als mediator voor ontstekingen en zijn rol in de pathogenese van LMD kan suppletie met luteïne worden beschouwd als een potentiële preventie en behandeling van LMD.

Verstoorde suikerstofwisseling kan leiden tot een grotere kans op glaucoom. Bij de regulatie van de glucose- en insulinehuishouding zijn diverse nutriënten betrokken, waaronder vitamine B, chroom, mangaan, zink, selenium en vanadium. B-vitamines zijn o.a. betrokken bij de aanmaak van insuline (B1, B2), de glucosetolerantiefactor (B3), verlaging van de bloedlipiden (B3), het transporteren van glucose de cel in (biotine), regulatie van de prostaglandinesynthese (B3, B6) en verlaging van het homocysteïnegehalte (B6, foliumzuur, B12).

Chroom vergroot de werking van de insulinereceptor op de cel, waardoor er minder insuline nodig is om glucose te transporteren. Zink is een onderdeel van het insuline-molecuul en nodig voor de aanmaak en opslag van dit hormoon. Selenium helpt het lichaam bij het onschadelijk maken van ontstekingsbevorderende stoffen. Verder spelen zink, mangaan, chroom en selenium tevens een rol bij de aanmaak van schildklierhormoon (vaak verstoord bij hyperinsulinisme).

Volgens voedingsdeskundige Patrick Holford speelt het mineraal chroom een belangrijke rol bij het reguleren van de insulinehuishouding evenals gebruik van een insulineondersteunende voeding (zie ook zijn boek ’Say no to diabetes’). Rijk aan chroom zijn volkoren producten, tarwekiemen, noten, zaden en peulvruchten. De behoefte aan chroom neemt toe bij stress, overgewicht, diabetes en het gebruik van witmeelproducten en suikers.

Door o.a. een onevenwichtige voeding, eetstoornissen, langdurig lijnen, langdurige stress, chronisch gebruik van medicijnen, familiare belasting en infectieziekten ontstaan dikwijls tekorten aan voedingsstoffen, die het ontstaan van hyperinsulinisme kunnen bevorderen. Daarnaast zijn de bovengenoemde voedingsstoffen juist extra nodig voor het reguleren van glucose- en vethuishouding.

Vond u deze informatie nuttig? Lees dan alstublieft de persoonlijke oproep van Marijke de Waal Malefijt, oprichtster van Natuur Diëtisten Nederland